Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
if.3
derscheiding van de sterren naar de schijnbare grootte is vrij wil-
lekeurig. Daartoe zijn geene bepaalde photometrische grondslagen
aanwezig. — De oudere Herschel maakt eene methode bekend, om
de lichtsterkte van twee sterren met behulp van twee gelijke tele-
skopen te vergelijken, waarbij hij voor den kijker, die op de hel-
derste ster gerigt was, schermen schoof, in welke kleine openingen
waren. Trof hij nu een scherm, welks opening evenveel licht door
liet als de andere kijker van de minder heldere ster opving, dan
was de lichtsterkte van de helderste ster zooveel maal grooter, als
de opening van den kijker grooter is dan die van het scherm. —
Door zulke metingen heeft men gevondeu, dat Wega eene ster van
de eerste grootte omstreeks of 9-maal meer lichtsterkte heeft dan
eene ster van de tweede of derde grootte. Wil men echter tot de
wezentlijke lichtsterkte van eene ster ten opzigte van eene andere
besluiten, dan komt nog de afstand in aanmerking, zooals reeds
in (67) is opgemerkt.
Neemt men de lichtsterkte van Wega als eenheid aan, dan heeft
men gevonden:
Sirius 5,13, Spica 0,49,
Rigel 1,30, Altair 0,40,
Wega 1,00, Aldebaran 0,36,
Arcturus 0,84, Deneb 0,35,
Capella 0,83, Regulus 0,34,
Procyon 0,71, Pollux 0,30.
Voorts is de lichtsterkte
van Mars bij de oppositie 6,8, en
„ Jupiter „ „ „ 8,5
„ de Volle Maan 13000,
„ de Zon lOS^-millioen.
Brengt men een en ander in verband met hetgene in (57) over
den afstand der vaste sterren gezegd is, dan moet de volstrekte
lichtsterkte van Sirius 63-maal die van de Zon zijn.
104. Snelheid van het ucht. Reeds in (78) is er op gewe-
zen, dat de manen van Jupiter in de schaduw van de planeet vet
dwijnen,. om na eenigen tijd weêr te voorschijn te treden. Dit
verschijnsel heeft men als middel gebezigd om de snelheid van het
licht te bepalen. Bevindt zich de Aarde tusschen de Zon en Ju-
piter en dus het digtst bij de planeet, dan zal men, uit eenige
11*