Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-150
openbaren. Die schijnbare beweging staat misschien in verband met
eene werkelijke beweging, die de Zon en hare planeten in eene
tegengestelde rigting hebben. Sommige geleerden beweren dat de
Zon met haren planetenstoet in de rigting van het beeld van Her-
cules voortgaat, waaruit anderen afleiden dat het middelpunt,
waarom zij beweegt in de groep der Plejaden ligt. — Deze meeningen
schijnen echter nog niet tot volkomen klaarheid gebragt te zijn.
14. DE TIJDREKENING.
97. Ontstaan van de tijdrekening. De afwisselende werkzaam-
heden van den landbouw en de regeling van hniselijke en maat-
schappelijke aangelegenheden moesten de menschen reeds in de oudste
tijden tot eene zekere tijdrekening dringen. — De afwisseling van
dag en nacht was zeker het eenvoudigste en natuurlijkste begin
daarvan. In de meeste oostersche landen werd het begin van den
dag altijd van Zonsopgang geteld, bij andere oude volken begon die
bij den ondergang der Zon. De verdeeling van den dag in Si uren
schijnt tot eene hooge oudheid op te klimmen, en de verdeeling van
de week in 7 dagen is welligt nog ouder. De schijngestalten van
de Maan en wel de vier hoofdphasen, die om de zeven dagen afwis-
selen, hebben hiertoe welligt aanleiding gegeven. Het tijdperk tus-
schen twee opvolgende nieuwe manen of de maand van 4 weken
was dan ook zeer gemakkelijk vast te stellen, en dewijl na 12
maanden de verschijnselen aan den hemel, vooral ook die van de Zon
ongeveer dezelfden waren, zoo was het zeer gemakkelijk een jaar-
kring van 12 maneschijnen of maanden vast te stellen, — en zeker
rekende men ook in oude tijden bij zulke maanjaren. — Toen ech-
ter de sterreknnde meer vorderingen gemaakt had, werd de lengte
van het jaar naar den loop van de Zon geregeld, en zoo ontstond
het zonnejaar (34). Bij de Christenen begon^ het jaar vroeger met
Paschen, of omstreeks het lente-aequinoctium, doch sedert de invoe-
ring van de Gregoriaansche tijdrekening (36) werd vrij algemeen de
1"* Januarij daarvoor genomen.
98. Zonnecirkel en zondagsletter. Dewijl een jaar geen rond
aantal weken heeft, zoo vallen in de opvolgende jaren de gelijknamige