Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-148
welf eeu witachtige breede streep, die onregelmatig begrensd is,
verschillende breedte heeft, endoor verschillende sterregroepen loopt.
Op de platen III en IV is zij eenigermate afgebeeld, en algemeen '
is zij onder den naam van Melkweg bekend. De melkweg loopt als
een gordel langs het hemelgewelf, tusschen den Kleinen Hond en
Orion, westelijk van Capella over Perseus, Cassiopeia, de Zwaan,
den Vos, Ophiuchus, oostelijk van Antares, de Paauw, het schip
Argo en oostelijk van Sirins naar de eerstgenoemde streek des he-
mels. Van de Zwaan tot in den Schorpioen bestaat de Melkweg
uit twee naast elkander loopende strooken. — Behalve deze witach-
tige strook, ziet men aan het hemelgewelf nog verschillende witach-
tige vlekken, die men nevelvlekken noemt. Zoo ziet het bloote oog
eenige nevelvlekken, doch met eenen teleskoop worden er velen
waargenomen. Somwijlen ziet men in die vlekken een of meer hel-
dere punten. Velen dezer nevels worden door goede teleskopen in
afzonderlijke sterren opgelost, en zoo wordt ook de Melkweg door
sterke teleskopen opgelost in tallooze kleine, digt op elkander ge-
drongene sterren. Die menigte sterren van den Melkweg schijnt alzoo
eenen ring te vormen, in welks midden onze Zon staat. — Of al
de nevelvlekken zich door nog sterkere kijkers als groepen van ster-
ren zullen voordoen is niet zeker.
92. Vekanderlijke en tijdelijke steeken. Onder de vaste
sterren treft men er eenige aan, die in glans en schijnbare grootte
veranderlijk zijn. Zij nemen in grootte toe om daarna weder af te
nemen, en gebruiken daartoe eenen zekeren tijd. De ster Mira in
den Walvisch verandert van de elfde of twaalfde grootte tot eene
ster van de tweede grootte en omgekeerd, en behoeft daarvoor bijna
332 dagen. De ster Algol in het Hoofd van Medusa verandert in
den tijd van omstreeks 3 dagen van de tweede tot de vierde grootte
en omgekeerd. Ook zijn a in Orion, a in Cassiopeia en a in Her-
cules en nog eenige anderen veranderlijk in grootte.
Somwijlen verschijnen aan het hemelgewelf plotseling nieuwe ster-
ren, die eenigen tijd schitteren en daarna weêr verdwijnen. Som-
migen daarvan hebben, naar oude berigten, eenen glans gehad, die
den glans van Jupiter en Venus, ja zelfs van de kwartiermaan, even-
aarde.
93. Kleuk der stereen. De sterren doen zich niet allen met
dezelfde kleur voor, en van sommigen is die zelfs aan verandering