Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-147
aequator van stand tracht te veranderen. Bij A, B, A' en B' be-
zitten de stofdeelen ten gevolge der asbeweging van de Aarde
snelheden in de rigting van de raaklijnen, bij die punten aan den
evenachtscirkel getrokken, die door Ak, Bk, A'k en B'k zijn voor-
gesteld. Wordt nu ten gevolge van de aantrekkende kracht van de
Zon A naar boven en A' naar beneden gedrukt, dan worden de
snelheden Ak en A'k evenwijdig aan zich zeiven verplaatst, en gee-
nerlei verandering in snelheid zal daar te bespeuren zijn. Bij B en
B' is dit echter geheel anders. De snelheden in de rigting van Bk
en B'k moeten overgaan in snelheden van de rigting Bz en B'z,
zoodat deze eersten ontbonden worden in twee andere snelheden,
'waarvan de genoemden in het vlak van de baan der Aarde vallen,
en de anderen Bn en B'n regthoekig op de genoemden en dus ook
regthoekig op BB' staan, zoodat de lijn BB', die regthoekig op
AA' staat, bij B door Bn neergedrukt, en bij B' door B'n boven-
waarts gedreven wordt. De beweging van het vlak ABA'B' kan dus
niet om de as QQ' in onveranderde rigting voortgaan. De aequator
van de Aarde zal bij hare asbeweging en bij hare omwenteling om
de Zon moeten zwenken. Liggen in de figuur de snijpunten van
den aequator en de ekliptika bij B en B', dan zal het snijpunt B'
in de rigting van B' naar A verplaatst worden, zoodat dat gedeelte
van den aequator moet rijzen, terwijl het tegenovergestelde gedeelte
van den aequator of AB zal dalen, en het snijpunt B zal dus in de
rigting van B naar A' bewegen.
Beweegt zich dus de Aarde om hare as, zooals de figuur aangeeft,
van het Westen naar het Oosten, dan bewegen zich de aequinocti-
aalpunten in tegengestelde rigting, en dus, zooais wij in (41) op-
merkten, van het Oosten naar het Westen, terwijl de as PP' van de
Aarde, die beweging moet volgen, — en dns, zooals wij in (41) ge-
zien hebben, van het Oosten naar het Westen gaande, zal zij een
kegelvlak beschrijven om de as QQ' der ekliptika.
13. TELESKOPISCHE BESCHOUWING VAN DEN
STERRENHEMEL.
91. Melkweg en nevelvlekken. Bij eenen helderen hemel ziet
men des nachts, als de Maan niet schijnt, op het blaauwe hemelge-
10*