Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-146
en in de ïundybaai 60 a 70 voet. Op de kusten van Noorwegen is
de verandering onbeduidend, in de Middellandsebe zee is zij bijna
onmerkbaar, in de Oostzee en in de Zwarte zee wordt geen spoor
van ebbe of vloed aangetroffen.
90. VeRKLABING van den ÏERDGGANG der AEQUINOCTiëN. De
Aarde beweegt zich om eene as, die ten opzigte van het vlak der
ekliptika eene helling heeft, en bovendien heeft zij geene bolronde
gedaante, maar onder den aequator zijn meer stofdeelen opgehoopt,
zoodat zij bij hare polen meer afgeplat is. Dit zijn de oorzaken,
waarom de Zon de as, waarom de Aarde wentelt, tracht te verplaatsen.
Is toch, in fig. 45, PAP'A' de Aarde, PP' haar as, Z de Zon en MZ
de lijn, die het middelpunt van de Zon met het middelpunt van de
Aarde vereenigt, terwijl AA' de middellijn van den aequator der
Aarde is, dan zal, op grond van hetgeen wij reeds vroeger omtrent
de aantrekking der stof leerden, elk stofdeeltje bij A meer aange-
trokken worden door de Zon, dan eenig stofdeeltje bij A'. Ten
gevolge van die aantrekking zal dus de Zon den stand der Aarde
zoodanig trachten te wijzigen, dat de as PP' regthoekig op MZ of
op den Zonsweg komt te staan. Is P de noordpool en stelt de
figuur dus den betrekkelijken stand van het zomerhalfjaar voor het
noordelijke halfrond voor, dan zal, als men de lijn ZM door M ver-
lengt tot in Z', zoodat MZ' = MZ wordt, de Zon in Z' ten op-
zigte van de Aarde zoodanig geplaatst zijn, dat men in het noordelijk
halfrond winter heeft. In dien stand worden de stofdeeltjes bij A'
meer aangetrokken dan die bij A, en de Zon tracht dus ook daar
den stand van de as der Aarde regthoekig op de ekliptika te bren-
gen. — Was de Aarde bolrond en de hoeveelheid stof, waaruit zij
bestaat, in hare ruimte gelijkmatig verbreid, dan zou de Zon geenen
invloed op den stand van hare as kunnen uitoefenen, evenmin als
zij dit kan doen, als zij loodregt boven den aequator staat.
In de bestaande omstandigheid hebben wij het middel om den
teruggang van de aequinoctiën, of de praecessie van het lentepunt
te verklaren. Laat, in fig. 46, ABA'B' den aequator der Aarde,
PP' de as der Aarde en QQ' de as der ekliptika voorstellen, dan
wordt door de aantrekkende kracht van de Zon, omstreeks het zo-
mersolstitium, het punt A van de lijn AA' in de rigting AZ en om-
streeks het wintersolstitium wordt het punt A' van de lijn A' in de
rigting A'Z getrokken, zoodat de Zon de lijn AA' en dus den