Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
413
■yan de Aarde met het middelpunt van de Maan vereenigt; in ruim
24 uren, zou de vloedberg zich van het Oosten naar het Westen
om de Aarde moeten bewegen, zoodat er in dien tijd twee-maal
vloed en twee-maal ebbe op eene plaats moest voorkomen; alle
plaatsen onder den zelfden meridiaan zouden gelijk vloed moeten
hebben, terwijl naar de polen de vloedberg meer en meer zou
afnemen.
Ofschoon nu de vloedberg in dat geval van het Oosten naar het
Westen voortgaat, zoo ontstaat hierdoor wel beweging in het water
van den Oceaan, maar geen directe stroom in westelijke rigting,
-want de vloedberg wordt door den invloed der Maan niet medege-
sleept maar telkens worden, naar den veranderden stand van de Maan,
nieuwe waterdeelen door de Maan aangetrokken en die aangetrok-
ken waren langzamerhand losgelaten.
De ligging van landen en eilanden heeft eenen belangrijken in-
vloed op het verloop van de vloedbcrgen, zoodat de tijd van hoog
water belangrijk verschillen kan op plaatsen, die onder denzelfden
meridiaan liggen. — Lijnen op het oppervlak der Aarde, welke de
plaatsen aanwijzen, voor welke op hetzelfde uur van hare uurtelling
de vloed zal plaats hebbeu, noemt men isorachié», van uo gelijk
en rachia dat vloed of het stijgen van het zeewater beteekent.
Kaarten met zoodanige lijnen treft men thans in eiken goeden
schoolatlas aan.
Zooals wij gezien hebben hangt de vloed hoofdzakelijk af van den
invloed van de Maan. Gaat de Maan door den meridiaan van eenige
plaats, dan zal er echter eenige tijd verloopen, eer de vloed zijne
grootste hoogte bereikt heeft. Die tijd is, zonder storende omstan-
digheden, voor elke plaats standvastig, en wordt haventij genoemd.
Uit het haventij en den loop van de Maan kan men dus den tijd
van hoog water voor iedere plaats op eiken dag berekenen.
De hoogte van den vloed, welke veranderlijk is naar den ver-
schillenden stand van Zon en Maan, hangt niet alleen van de aard-
rijkskundige breedte, maar ook van de plaatselijke gesteldheid af.
Li baaijen en riviermonden is die veel hooger, dan in volle zee.
Terwijl op St. Helena en op de eilanden in den Stillen Oceaan de
hoogste vloed slechts 2 a 3 voet bedraagt, zoo bereikt hij bij Bayone
omstreeks 9 voet, te Londen 18 voet, te Brest 20 voet, te St. Malo
36 voet, aan dea mond van den Avon bij het eiland Wight 42 voet,
10