Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-143
uit moet volgen dat de omloopstijd van de Maan omstreeks het
wintersolstitium grooter is dan omstreeks het zomersolstitium. Dit
verschil bedraagt, wat den siderischen omloopstijd betreft, onge-
veer 15 minuten. — Het is ook ten gevolge van den storenden ^
invloed van de Zon, dat de teruggang van de knoopen van de loop-
baan der Maan moet verklaard worden.
89. Invloed van de aantrekking van de maan op de aarde,
ebbe en vloed. Evcn zcer als de Aarde de Maan aantrekt onder-
gaat de Aarde den invloed van de aantrekkende kracht van de Maan.
Was de Aarde een vloeibaar ligchaam, dan zou die aantrekkende
kracht van de Maan haar noodzakelijk den bolvorm, dien zij nu
bijna bezit, doen verliezen: want de deelen, die het digtst bij de Maan
zijn, zouden meer aangetrokken worden dan de deelen in het midden
der Aarde en nog meer dan de deelen, die van de Maan afgekeerd
zijn. Daaruit volgt dan dat de doorsnede van de Aarde in de rigting
van het middelpunt der Maan langwerpig rond zou worden. Was
bijv. abcd, fig. é4, de omtrek der Aarde, O haar middelpunt en M
de Maan, dan zal bijv. a in a' verplaatst worden, daar het punt a zich
van O moet verwijderen omdat het meer door M aangetrokken wordt
dan O. Maar daar O meer aangetrokken wordt dan b, zoo zal de af-
stand tusschen O en b ook moeten toenemen, en nemen wij O als
standvastig aan, dan zal b in b' verplaatst worden. Dewijl nu de deelen
van het oppervlak der Aarde aan de zijde van a en van b van het
middelpnnt afwijken, en dus de middellijn in de rigting van ab
grooter wordt, zoo is het noodzakelijk dat de regthoekig daarop
staande middellijn cd moet inkrimpen tot c'd' of wat hetzelfde is,
dat de deelen bij c en d naar a en b zullen moeten stroomen. — De
Aarde is echter een vast ligchaam, welks oppervlak gedeeltelijk met
water bedekt is. Het water zal dus, als de Aarde den vasten vorm
acbd behoudt, zich bij a en b boven het gemiddelde oppervlak der
Aarde verheffen, en bij c en d onder dat oppervlak dalen. Bij a
en b heeft men dus vloed en in den gordel cd, die regthoekig op
dc lijn MO staat, heeft men ehbe.
Ook de Zon oefent op de vloeibare deelen van de Aarde eenen
gelijken invloed uit. Bij Nieuwe en Volle Maan werken de aan-
trekkende krachten van de Zon en de Maan in gelijke rigting op
de Aarde. Bij de kwartiermanen staan de rigtingen dier krachten
regthoekig op elkander. Iu het eerste geval valt de vloed door de