Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-137
De invloed der middelpunttrekkende kraelit werkt alzoo in omge-
keerde vierkante reden van de afstanden.
Berekent men den weg, dien de Maan ten gevolge van de mid-
delpunttrekkende kracht in één seconde tot de Aarde zou naderen,
uit de formule
J! = f]i2
€u nemen wij den straal van de Aarde gelijk r en dus, naar (56),
E = 60r, terwijl, volgens (70), T = 27 dag. 7 ur. en 43 min. =
2360580 seconden is, dan is
60x2rraxn
■ 2860580
60x40000000x3,1416
, en omdat 2r7i = 40000000 ellen is (27), zoo is
= 0,001353 el.
2360580'
Nemen wij nu aan dat die weg, op grond vau het boven bewe-
zene, op eenen 60-maal kleineren afstand 3600-maal grooter zal zijn,
dan zal een ligchaam aan het oppervlak der Aarde in één seconde
eenen weg van 3600 X 0,001353 = 4,87 el afleggen.
Dewijl nu deze ruwe berekening eene waarde geeft, welke vrij
wel overeenkomt met den weg, dien een vrijvallend ligchaam in één
seconde in de nabijheid van de Aarde aflegt (28), zoo besluit men
hieruit dat de kracht, die de voorwerpen op de Aarde doet vallen,
ook de kracht is die de Maan in hare baan houdt, en dat dus de
zwaartekracht of gravitatie, die de Maan in hare loopbaan om de
Aarde houdt, ook de planeten in hare banen om de Zon doet blijven,
en in het algemeen dat zg het is, die de beweging der hemelligcha-
men regelt. — Neemt men dit aan, dan kan men ook daarvan uit-
gaande de wetten van Keppler regtstrceks bewijzen.
87. Massa en digtheid van de zon en de planeten.. Zoo als
wij gezien hebben werkt de aantrekkende kracht van eenig ligchaam
op al de voorwerpen daar buiten. Zoo oefent de Aarde haren in-
vloed uit op de Maan, de Zon en al de andere hemelligchamen
met eene aantrekkende kracht, die afneemt naar dat de tweede-magt
der afstanden toeneemt. De Aarde trekt dus de Maan het sterkst
aan, minder doet zij dit de Zon; de binnenplaneten ondergaan die