Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-135
beweging genoemd worden, kunnen stootende en standvastig wer-
kende genoemd worden. — Nemen wij nu aan dat een zeker voor-
werp in A, fig. 43, door eene standvastig werkende kracht naar
het puntMgetrokken wordt, terwijl eene stootende kracht, die met
de rigting van AM verschilt, het van M zou trachten te verwijde-
ren , en dat in eenig tijdsdeel de eerste kracht het ligchaam van A
naar a, en de andere kracht het van A naar A' zou drijven, dan
leert de Mechanica dat onder den invloed van die twee krachten het
ligchaam noch in a noch in A' zal aankomen, maar eenen weg AB
afleggen, welke de diagonaal is van het parallelogram aAA'B, waar-
van AA' en Aa de zijden en A'Aa de hoek tusschen die zijden is. —
Volgens de wet der traagheid of inertie zou dan het ligchaam, als
de middelpunttrekkende kracht plotseling ophield, in de rigting van
AB voortgaan, en in het volgende tijdsdeel den weg BB' = AB
afleggen. Dc middelpunttrekkende kracht zou echter in dien tijd
het ligchaam den weg Bb doen afleggen, zoodat de weg, dien het
ligchaam werkelijk volgen moet, door BC de diagonaal van het
parallelogram bBB'C wordt aangegeven. — In het volgende tijds-
deel zou het ligchaam, als de middelpunttrekkende kracht plotseling
had opgehouden, ten gevolge der traagheid eenen weg CC' = BC
afleggen. De middelpunttrekkende kracht zou het echter den weg
Cc naar M doen afleggen, en de ware weg van het ligchaam zou
de lijn CD of dc diagonaal van het parallelogram cCC'D zijn. Het
ligchaam heeft dan den weg ABCD doorloopen, welke weg, als
de tijdsdeelen en dus ook de wegen, welke het ligchaam ten
gevolge van de beide krachten, die er op werken, zeer klein zijn,
eene kromme lijn zal zijn, die, zoo als wiskunstig kan aange-
toond worden, eene ellips, een parabool of een hyperbool is. —
Dewijl nu de planeten om de Zon, en de bijplaneten om de hoofd-
planeet elliptische banen beschrijven, en ook de banen der kometen
tot die zoogenaamde kegelsneden behooren, zoo ligt het voor de
hand om te besluiten, dat zij op gelijksoortige wijze als wij aan-
getoond hebben in hare banen gedreven wo rden. En dit wordt nog
waarschijnlijker, als wij in onze figuur nagaan, dat de driehoeken
ABM, BCM en MCD, of de vlakteruimten door den voerstraal van
het ligchaam in de opvolgende tijdsdeelen doorloopen gelijk zijn,
zoodat Kepplers 1'" wet hier doorgaat. Immers als wij in de figuur
MA', MB' en MC' trekken, dan is: