Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
134
B:b =RxH :rxh, en daar nu
H:h =r' , zoo is
BxH:bXh = RxHXr':rXhxR'of
B:b =r :R,
zoodat de bogen, die de Aarde op haren weg om de Zon aflegt om-
gekeerd evenredig zijn met hare afstanden tot de Zon.
De vlakte-ruimten, welke de voerstraal der Aarde in eenig ge-
deelte van hare baan doorloopt, kan men als cirkelsectoren be-
schouwen, welker inhouden zamengesteld evenredig zijn met de
lengten hunner bogen en stralen. Noemen wij die cirkelsectoren
S en s, dan is
S:s = RxB:rxb,en, daar uit het bovenstaande blijkt
dat R X B = r x b is, zoo is ook S = s, zoodat voor gelijke tijden
de vlakteruimten door den voerstraal der Aarde doorloopen gelijk
zijn, en dus de 1'" wet van Keppler uit de waarneming voor de
beweging der Aarde afgeleid is. Zij geldt echter evenzeer voor de
planeten, en kometen, en voor de beweging der bijplaneten om hare
hoofdplaneet.
2de Wet. De planeten, en dus ook de Aarde, bewegen zich om
de Zon in elliptische banen, in welker brandpunt de Zon staat. —
Ook deze wet was hem uit de waarneming gebleken, zooals dit bijv.
voor de Aarde uit (é3) duidelijk wordt, — en waarvan wij nader
de reden zullen leeren kennen.
3iie -Wet. De derde-magten van de afstanden der planeten tot de
Zon staan tot elkander in reden als de tweede-magten harer om-
loopstijden. — Ook deze wet is uit de waarneming afgeleid, en
gemakkelijk kan men hare juistheid, die wij nader zullen bewijzen,
uit de gegevens van (61) en (62) afleiden.
86. Oobzajlk vau de kromlijnige beweging der hemelligcha-
MEN. In de Mechanica wordt aangetoond, dat een ligchaam onder
den invloed van twee ongelijksoortige krachten, (d. i. als de eene
het eene eenparige snelheid van beweging en de andere het eene
gelijkmatig versnellende beweging zou mededeelen) eenen gebogen
weg moet afleggen, als de rigtingen dier krachten althans verschil-
len (•). De krachten, die als oorzaken van beide soorten van
(*) Steynis, Mechanica; bladz. 107—120.