Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-133
kingen zullen meer lieht over deze vreemdsoortige ligchamen ver-
spreiden.
12. NADERE BESCHOUWING VAN DE BEWEGINGS-
VERSCHIJNSELEN BIJ DE HEMELLIGCHAMEN EN
MECHANISCHE VERKLARING DAARVAN.
85. Wetten van Kepplee. Uit de belangrijke eu naauwkeurige
waarnemingen door Tycho de Brahé in het werk gesteld, heeft
Keppler de wetten nagespoord, volgens welke de planeten en ook de
Aarde om de Zou wentelen. Hij vond namelijk bij de Aarde dat
de in gelijke tijden doorloopene bogen van hare baan omgekeerd
evenredig zijn met hare afstanden tot de Zon, waaruit hij afge-
leid heeft zijne
1"' Wei, volgens welke de vlakteruimten door den voerstraai
van de Aarde doorloopen iu gelijke tijden op alle deelen vau hare
baan gelijk zijn.
De snelheid toch, waarmede de Zon schijnbaar voortgaat omstreeks
het perigaeum of omstreeks 1 Januarij, staat tot de snelheid, waar-
mede zij in het apogaeum of omstreeks 1 Julij zich in de ekliptika
schijnbaar beweegt, als wij hare toeneming in lengte omstreeks die
tijdstippen voor 14 dagen nemen, als:
8»9',1 tot rzrj of als 4891 tot 4577 of als 1,069 tot 1.
De verhouding van de afstanden van de Aarde en de Zon is op
die tijdstippen, naar (43), 1891 tot 1955 of als 59 tot 61. Brengt
men nu beide getallen tot de tweede magt, dan verkrijgt men voor
het quotiënt dier magten eveneens 1,069, zoodat de hoeken, welke
de voerstraai der Aardein gelijke tijden doorloopt, omgekeerd even-
redig zijn met de vierkanten van de afstanden van de Aarde tot de
Zon op die tijdstippen.
Stellen wij nu die hoeken voor door H en h en die afstanden
door R en r, dan is
H : h = r= : R».
De bogen echter, welke de Aarde in die tijden doorloopt, zijn
afhankelijk van de grootte der hoeksnelheid eu den afstand van de
Zon. Noemen wij nu die bogen B en b, dan is