Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-132
denzelfden aard zijn, hoort men, als zij de Aarde meer genaderd
zijn, somwijlen van geluid gepaard gaan, met eenen knal uit een
spatten, en niet zelden vallen daarbij vaste ligchamen uit den damp-
kring neêr, die onder den naam van meteoorsteenen of aërolithen be-
kend zijn. — Deze meteoorsteenen hebben, als zij de Aarde bereiken,
eene belangrijke warmte, en dringen meer of minder diep in den
grond, — Verschillende gevallen hebben zich voorgedaan, waarbij
het duidelijk gebleken is, dat de vuurbollen met zulke steenvallen
gepaard gingen, ja zelfs heeft men voorbeelden dat de warmte der
aërolithen huizen in brand stak. Deze meteoorsteenen bevatten
onder andere stoffen, die op de Aarde voorkomen, vooral ijzer.
Hunne massa is dikwijls zeer belangrijk. Men heeft stukken ge-
vonden van verscheidene ponden gewigt, van welke het zeker is
dat zij meteoorsteenen zijn.
84. Oorsprong der meteoorsteenen. Hoogst waarschijnlijk zijn
de vallende sterren, vuurbollen en meteoorsteenen van kosmischen
oorsprong. Het zou moeijelijk te verklaren zijn dat zij van de Aarde,
van de Maan, van de Zon of van eenige planeet komen. Men
neemt daarom aan dat deze ligchamen zich om de Zon afzonderlijk
bewegen, en dat geheele zwermen van die ligchamen eenen ring om
de Zon vormen, welke ring in twee punten door de baan van de
Aarde gesneden wordt. Dit wordt waarschijnlijk omdat er bepaalde
tijdpunten zijn, waarop het aantal vallende sterren het grootst is.
Zoo heeft men opgemerkt dat omstreeks 12 November en 10 Augus-
tus dit verschijnsel het belangrijkst is, zoodat men van eene Augus-
tus- en Novemberperiode spreekt. Men ziet dan geheele zwermen
van vallende sterren, die zoo talrijk zijn dat er somwijlen in één
uur tijds verscheidene duizenden gezien worden. Zij hebben meestal
eene min of meer zuidelijke rigting, en schijnen steeds uit dezelfde
streek van den hemel te komen. In Augustus komen zij het meest
uit eene streek tusschen de sterrebeelden Perseus en Andromeda,
en in November uit het beeld van den Leeuw, en ook uit de vorige
streek. Uit eenige waarnemingen heeft men hare hoogte en snel-
heid van beweging trachten te bepalen.
Of deze massa's echter gloeijend in de ruimte zweven, en in den
dampkring van de Aarde feller beginnen te gloeijen, of dat zij om-
geven zijn van een brandbaar gashulsel dat in de dampkringslucht
ontbrandt, schijnt nog niet uitgemaakt te zijn. Latere onderzoe-