Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-131
goed voor een gedeelte kunnen bedekken. Voor wederkeerende
kometen tocb kan ook de baan geen parabool noch hyperbool wezen,
omdat deze kromme lijnen niet gesloten zijn.
Van sommige kometen heeft men dan ook de banen vrij naauw-
keurig kunnen bepalen. Zoo vond Halley uit de overeenstemming
tusschen de elementen van de banen van kometen, die in 1331,
1607 en 1682 waargenomen waren, dat men hier welligt dezelfde
komeet gezien had, welker omloopstijd dus 75 a 76 jaar bedraagt.
Hij voorspelde haren terugkeer tegen het begin van 1759, en wer-
kelijk verscheen zij op dien tijd, en ook in 1835 heeft zij zich wéér
vertoond. Deze komeet wordt de komeet mn Haliey genoemd, en
is de eenige groote, voor het bloote oog zigtbare komeet, welker
omloopstijd bekend is.
Onder de kleinere of teleskopische kometen zijn er echter ver-
scheidene, welker banen men berekend heeft.
11. DE VALLENDE STERREN EX METEOORSTEENEN.
83. Vallende sterren en meteoohsteenen. Bij helderen hemel
ziet men des nachts aan het hemelgewelf plotseling lichtende ligcha-
men verschijnen, die grootere of kleinere wegen met eene belangrijke
snelheid doorloopen, en verdwijnen. Zij hebben een voorkomen als
of het sterren waren, en worden verschietende of vallende sterren ge-
noemd. Deze voorwerpen, welke slechts eenige seconden waarge-
nomen worden, zijn nu eens grooter en dan weêr kleiner, en ver-
toonen somwijlen eenen glans, welke dien van de sterren van de eer-
ste grootte, ja zelfs dien van Jupiter en Venus evenaart en overtreft.
Veelal laten zij een lichtspoor in den vorm van eenen staart achter zich,
die na het verdwijnen van het voorwerp ook verdwijnt. Somwijlen
ziet men ze, terwijl zij de Aarde meer naderen, als vuurbollen meer
en meer in grootte toenemen, en hunne lichtsterkte kan dan zoo
belangrijk zijn, dat zij den glans der Maan overtreffen, en zelfs wor-
den zij op den vollen dag somwijlen gezien.
Aan alle punten van den hemel en overal op de Aarde neemt
men zoodanige verschijnselen waar.
De vuurbollen, die waarschijnlijk met de vallende sterren van