Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-130
schijnsel, dat de lichtstralen door de komeet noch door haren staart
gebroken worden, zou bewijzen dat de planeet geen vloeibaar noch
een gasvormig ligchaam kan zijn.
82. Loopbaan deb kometen. Niet even als de planeten hebben
de kometen hare loopbanen in de nabijheid van de ekliptika, maar
velen daarvan snijden dat vlak onder hoeken, die zeer tot den reg-
ten hoek naderen, zoodat er zelfs in de nabijheid van de poolster
komen. Anderen wederom hebben banen, die de ekliptika onder zeer
kleine hoeken snijden. De komeet van Donati, die in 1858 zoo
prachtig aan den hemel schitterde, werd met behulp van den teles-
koop door Donati te Florence op 2 Junij van dat jaar ontdekt en
op 2 September werd zij voor het bloote oog zigtbaar. Haar hoofd
bewoog zich van dien tijd af van het zuidelijke deel van den Grooten
Beer door het noordelijke deel van het Haar van Berenice, door
het zuidelijke deel van Boötes en wel zuidelijk langs Arcturus,
sneed den aequator, ging door het zuid-westelijke deel van de Slang
en ging in den Schorpioen over, om daar voor het bloote oog te
verdwijnen. De lengte en lichtsterkte van den staart waren tot
8 October toegenomen. Op 8 October, toen het hoofd der komeet
omstreeks 220° regte opklimming en omstreeks 12° noorder declinatie
had, boog zich de staart, die zich van het hoofd af meer uitbreidde,
met de bolle, vrij scherp begrensde zijde, westelijk langs Gemma
in de Noordelijke Kroon, terwijl de holle boog aan de oostzijde van
den staart nog in Boötes was, en het einde van den staart in dat
sterrebeeld in breedte toenemende, maar in lichtsterkte verliezende,
verdween. De staart was dus werkelijk van de Zon afgekeerd, en
omgebogen naar den kant van waar de komeet kwam, en de vaste
sterren waren door haar zigtbaar. Door goede kijkers zag men ach-
ter den kern eene donkere ruimte, die veel overeenkomst heeft met
eene-kemschaduw, die zich, als de kern ondoorschijnend is,«in het
licht der Zon achter de komeet zou moeten vormen.
De kometen zijn voor ons alleen zigtbaar, als zij in haar perihe-
lium zijn. Dewijl zij daar slechts betrekkelijk korten tijd blijven,
en eerst na längeren tijd terugkeeren, zoo maakt men hieruit en
uit bepaald gemetene grootheden op, dat hare banen zeer langwer-
pige ellipsen zijn. Wel worden de gedeelten der banen in het
perihelium als parabolen bepaald, doch dit bewijst niets tegen de
ellipsvormigheid, omdat eene ellips en eene parabool elkander zeer