Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
413
planeten niet het geval is. De hoek bedraagt om de 80°, zoodat
die banen bijna loodregt op de loopbaan van de planeet staan. Het
is dus waarschijnlijk dat de aequator van Uranus eene belangrijke
helling ten opzigte van de ekliptika heeft. — Van de manen van
Neptunus, van welke men er twee meent gezien te hebben, is de
omloopstijd van eene bepaald op 5 dag. 21 ur. en 15 min. —
Overigens is daarvan nog weinig bekend.
10. DE KOMETEN.
81. vooekomen dek kometen. De tot hicrtoc behandelde he-
melligehamen zijn altijd aan den hemel op te sporen, en hare plaat-
sen kunnen voor ieder tijdstip naauwkeurig bepaald worden. Somwij-
len vertoonen zieh echter plotseling aan den hemel ligchamen,
welker verschijning niet vermoed werd, die onder het stergewelf
voortgaande in helderheid van licht en schijnbare grootte toenemen,
om daarna weder in glans af te nemen en zich te verwijderen tot
dat zij verdwijnen, zonder dat men van velen daarvan weet wanneer
zij zullen terug komen. Velen van die ligchamen hebben aan de
van de Zon afgekeerde zijde een nevelachtige verlenging als een
staart of pluim, waarom zij kometen, haar- of staartsterren genoemd
worden. De meeste kometen hebben eenen helderen ronden kern,
om welken een zwakker lichtend nevelhulsel is. De staart breidt zich
somtijds van 60 tot meer dan 90 graden aan het hemelgewelf uit.
Hij is somwijlen regt, meermalen eenigzins gebogen. Sommige ko-
meten hebben meer dan één staart. In 1744 zag men er een met
zes staarten, en in 1807 een met twee staarten, of liever de staart
was gesplitst in zooveel lichtende streepen. — Bij sommige kometen
ontbreekt de kern, zooals dit met die van 1819 het geval was.
Door den staart der kometen kan men de sterren onderscheiden,
en de rigting der lichtstralen ondergaat daarbij geene afwijking
van de regte lijn, waarin zonder tusschenkomst van den staart eene
ster gezien wordt. Men beweert zelfs door den kern der kometen
vaste sterren gezien te hebben, zoodat de stof, waaruit de planeten
bestaan, doorzigtig moet zijn, of althans moeten er tusschen de za-
menstellende deeltjes kleine openingen aanwezig zijn. Het ver-
10