Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-127
besluit men dat op haar oppervlak evenmin water aanwezig is. Het
' donkere ligchaam van de Maan, door de Zon verlicht, toont don-
kere vlekken, die men vroeger voor groote wateren hield. Thans
heeft men redenen om te beweren dat deze donkere vlekken scha-
duwen van bergen zijn, of wel holen, in welke het zonlicht niet
doordringt. Deze schaduwen maken met de verlichte toppen der
bergen dat de maanlandschappen bij onder- of opgaande Zon eene
eigenaardige pracht bezitten. Van de oppervlakte van de Maan heeft
men afbeeldingen gemaakt, en aan de bergen en andere in het oog
vallende punten namen gegeven. De hoogte dier bergen heeft men
zelfs bepaald en bevonden dat de hoogste toppen boven het gemid-
delde oppervlak met de grootste bergen op de Aarde wedijveren.
Over de afwisseling van dag en nacht op de Maan hebben wij
in (76) reeds gehandeld. De van de Aarde afgewende zijde van
de Maan heeft echter, als voor haar de veertiendaagsche nacht is
aangebroken, geene verlichting van de Aarde te verwachten, zooals
dit het geval is bij de naar de Aarde toegekeerde zijde.
De aequator van de Maan maakt naar (71) eenen hoek van ge-
middeld 6°38' met hare baan, en deze eenen hoek van S'S' met de
ekliptika (71), en dus maakt de aequator van de Maan eenen hoek
van ongeveer IJ graad met de ekliptika, zoodat de afwisseling der
saizoenen op de Maan zoo goed als niet plaats heeft, en dag en
nacht overal ongeveer even lang zijn. — Van eene bewerktuigde
schepping heeft men op de Maan nog geen spoor kunnen vinden.
78. Manen van jupiter. De manen van Jupiter vertopnen zich door
eenen kijker als vier sterretjes, die met haar bijna in eene regte
lijn liggen, doch hare betrekkelijke ligging is zeer veranderlijk. Hare
beweging is regtloopend en terugloopend, en om . de hoofdplaneet
bewegen zij zich in een vlak dat ongeveer met den aequator van
Jupiter te zamen valt. Wij geven hier van die manen , zooals zij
van Jupiter afgerekend volgen, eenige grootheden.