Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-126
Ofschoon werkelijk steeds dezelfde zijde van de Maan naar de
Aarde gekeerd is, zoo is toch de stand van dat gedeelte van het
oppervlak aan kleine zwenkingen onderhevig. Zoo zien wij nu eens
de Noordpool en dan weder de Zuidpool van de Maan, nu eens
de westzijde en dan weer de oostzijde van het zigtbare gedeelte van
het oppervlak meer naar de Aarde gekeerd. Dit verschijnsel wordt
de libratie van de Maan genoemd. Geschiedt de beweging zoodanig
dat de meridianen van de Maan oost- of westwaarts bewegen, dan
is dit libratie in lengte, en worden de parallelen op de Maan meer
naar boven of beneden bewogen worden, dan is dit libratie in breedte.
De libratie in lengte volgt onmiddellijk uit den ellipsvormigen loop-
baan van de Maan, als hare asbeweging eenparig is. Is namelijk,
in fig. 42, A de Aarde en M de Maan, dan zal zij, van M naar Mi
gaande, sneller voortgaan dan van Mi naar Ms, zoodat voor één vierde
van den omloopstijd de weg MMi langer is dan Mi Ma, en zoo ook
is de volgende weg voor het andere vierde van den omloopstijd of
Ma Ms korter dan Ms M. Zien wij dus als de Maan in M is eenig
punt a juist in het midden der schijf, dan zal dit, omdat de Maan
in Ml juist 90° om hare as gewenteld is, niet meer in het midden
der schijf maar meer oostelijk liggen in ai. In den stand Mj ligt
het punt weêr als as in het midden der schijf, en in Ms, waar de
Maan 270° omgedraaid is, zal het pnnt a weder buiten het midden,
en nu westelijk in as liggen. De grootste libratie in lengte kan
7°53' bedragen.
Stond de as van de Maan regthoekig op het vlak van hare baan,
dan zou men uit het middelpunt der Aarde altijd de polen en dus
ook de parallelen van de Maan in denzelfden stand zien, zoodat er
alleen libratie in lengte zou bestaan. Neemt men aan dat de as
der Maan zoodanig helt ten opzigte van hare baan, dat haar aequa-
tor met hare baan eenen hoek van gemiddeld 6°38' maakt, dan
wordt hierdoor de libratie in breedte verklaard, die hoogstens 6°47
kan zijn.
77. Nattjxjrlijke gesteldheid van het oppervlak der maan.
De sterbedekkingen, waarvan in (73) melding gemaakt is, geschieden
plotseling. Nadert eene ster den rand der Maan , dan ziet men haar
in dezelfde rigting, als waarin zij anders gezien wordt. Hieruit leidt
men af, uit gronden die wij nader zullen leeren kennen, dat de
Maan door geenen dampkring omgeven is. En daarmede in verband