Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-125
langs de Maan de Zon kon gezien worden. De geheele maanschijf
is echter zigtbaar op het naar haar toegekeerde halfrond van de
Aarde en dus moet ook de donkere plek op die schijf, door de scha-
duw der Aarde veroorzaakt, overal op dat halfrond zigtbaar zijn.
Eer de werkelijke verduistering van de Maan begint, komt zij in
de halfschaduw van de Aarde. Daarin is zij minder sterk verlicht
dan daar buiten, doch dit veroorzaakt nog geene verduistering, daar
alleen haar schijnsel matter wordt. In de kernschaduw kan de Maan
gedeeltelijk treden en dan heeft men eene gedeeltelijke maansver-
duistering. Ringvormig kan deze echter ten gevolge van de afme-
tingen van den schaduwkegel nooit zijn. Hoe meer de Maan den
schaduwkegel nadert des te doffer wordt haar licht, en in de kern-
schaduw zelve heeft zij al haren glans nog niet verloren, maar
vertoont zij eene donkere roode kleur, die waarschijnlijk veroorzaakt
wordt door den invloed van den dampkring der Aarde op de rigting
der zonnestralen, waarover wij nader handelen zullen.
Bij eene zonsverduistering zal natuurlijk de Aarde voor de Maan
verduisterd schijnen en bij eene maansverduistering neemt men op
de Maan eene zonsverduistering waar.
76. Asbeweging en libratie van dé maak. Bij eene beschouwing
met het bloote oog zien wij op de maanschijf zekere vlekken, die
zich steeds in dezelfde betrekkelijke ligging voordoen, zoodat de
teekening van de verlichte maanschijf steeds dezelfde schijnt te zijn.
Bepaalde vlekken ziet men steeds aan de westzijde, andere aan de
oostzijde en weêr andere steeds in het midden. Bij naauwkeurige
beschouwing met eenen kijker doet zich hetzelfde verschijnsel voor.
Hieruit volgt dat de Maan steeds dezelfde zijde naar de Aarde ge-
keerd heeft, zoodat voor ons de eene helft van haar oppervlak
steeds onzigtbaar blijft. Dewijl nu de Maan om de Aarde beweegt,
zoo is het noodzakelijk dat zij in den tijd van haren synodischen
omloop ook eenmaal om hare as wentelt, omdat anders dezelfde
zijde van haar oppervlak niet altijd naar de Aarde kan gekeerd
zijn. — Uit deze langzame beweging om de as volgt dat de Maan
niet merkbaar afgeplat kan zijn, en men heeft zoodanige afplat-
ting dan ook nog niet kunnen waarnemen. — Dewijl nu de Maan
in 29| dag om hare as wentelt, zoo zal op de Maan bij haren
aequator in dien tijd de Zon eens op- en ondergaan, zoodat, als dag
en nacht daar even lang zijn, dezen daar 14| van onze dagen duren.