Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-124
verduistering opgegeven, hetzij in duimen of in decimale onderdeden
van het geheel van de middellijn der schijf. — In duimen geschiedt
die opgaaf aldus: Men trekt de middellijn der Zon in de rigting
van het middelpunt der Maan, deelt die in 12 gelijke deelen, dui-
men geheeten, dan zal het aantal deelen, dat van die middellijn ver-
duisterd is, de grootte der verduistering bepalen.
75. Maaksverduistebing. In fig. 41 stelt Z de Zon, A de Aarde
en M de Maan voor. Trekt men langs de Zon en de Aarde de
raaklijnen Aa en Bb, dan vormt zich achter de Aarde eene donkere
kcrnschaduw. Deze schaduwkegel zal het kortst zijn als de Aarde
in het perihelium (43) is, en het langst als zij in het aphelium (43) is.
Trekt men de raaklijnen Ab en Ba, dan zal men achter de Aarde
rond de kcrnschaduw eene halfschaduw zien ontstaan. — Gaat de
Maan door deze schaduw, dan wordt voor haar de Zon verduisterd
en voor de Aarde mist de Maan de verlichting van de Zon geheel of
gedeeltelijk. Dit kan alleen plaats hebben als Zon en Maan in op-
positie zijn en dus bij Volle Maan.
Uit de betrekkelijke grootte van de middellijnen van Zon en Aarde,
in verband met haren afstand volgt dat de kegel van de kernscha-
duw omstreeks 215 aardstralen lang is, en dat de doorsnede regt-
hoekig op de as vau dien kegel op eenen afstand van 60 aardstralen
of den gemiddelden afstand van de Maan nog eene middellijn heeft
van ruim 0,7 van de middellijn der Aarde of bijna 3-maal grooter
is dan de middellijn van de Maan, en eene schijnbare grootte van
omstreeks 88 minuten heeft, zoodat de Maan geheel in de kern-
schaduw kan vallen en dus totaal verduisterd wezen. — De as van
deze kcrnschaduw ligt in de ekliptika. Is nu de breedte van het
middelpunt van de Maan ten tijde der oppositie meer dan onge-
veer 1 graad, dan is er geene verduistering mogelijk. Uit de ster-
rekundige jaarboeken kan men den loop van Zon en Maan na-
gaan en daarin de gegevens tot de bepaling van de maansverduiste-
ringen vinden.
Bij de maansverduistering heeft in tegenstelling van de zonsver-
duistering dit eigenaardige plaats, dat zij voor alle plaatsen, voor
welke de Maan boven den horizon is, geheel en al op dezelfde wijze
moet gezien worden, omdat hier de maanschijf van licht beroofd
is, en bij de zonsverduistering was het licht der Zon slechts door
de tusschen ons en de Zon geplaatste Maan tegen gehouden, zoodat