Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-123
dan vormen deze eenen kegel, welks top tusschen de Zon eu de
Maan valt. De punten, welke achter de Maan binnen dien kegel
vallen, missen, voor zoo ver zij niet in de kcrnschaduw liggen, ge-
deeltelijk het licht van de Zon. Voor punten op de Aarde, die in
dat gedeelte van de schaduw liggen, is dus de zonsverduistering ge-
deeltelijk.— Treft de top van de kcrnschaduw de Aarde niet, en is
de stand der middelpunten zoo als wij onderstelden, dan zal de
Maan als eene gelijk middelpuntige cirkelvormige zwarte vlek voor
de zonneschijf gezien worden. De zonsverduistering is dan centraal
of ringvormig voor punten, die nabij de as van den schaduwkegel
liggen. De Zon is daar dan als een verlichte ring te zien.
De verschijnselen, die bij eene totale zonsverduistering plaats
hebben zijn zeer eigenaardig. De hemel schijnt graauw, en men
ziet eenige sterren schitteren. Om de zwarte schijf der Maan is
een golvend licht, waaruit eenige geelachtige stralen schieten. De
vogels en andere dieren schijnen beangst te zijn, of in de meening
te verkeeren dat de Zon ondergegaan cn de nacht begonnen is.
Zal eene zonsverduistering mogelijk wezen, dan moet de Zon zeer
nabij eene knoop van de Maan zijn. Helde de baan van de Maan
niet op de ekliptika, dan zou er bij elke conjunctie eene zonsver-
duistering moeten plaats hebben. Het verschil in lengte of in regte
opklimming vau Zon en Maan moet zoodanig zijn dat de breedte
van het middelpunt der Maan kleiner is dan de som der schijnbare
halve middellijnen van Zon en Maan, of ook het verschil in decli-
natie van Zon en Maan moet bij de conjunctie minder wezen dan
de som van die halve middellijnen. Daaruit volgt dat een verschil
in lengte van minder dan 13° tusschen de Zon en eenige knoop van
de Maan de verduistering van de Zon zeker zal ten gevolge hebben,
en dat die bij een verschil in lengte van meer dan 19° niet kau
plaats hebben. De veranderlijkheid in dezeu afstand hangt af van
de verandering in de schijnbare middellijnen van Zon en Maan. .Zijn
beiden in het perigaeum (43), dan is de grens voor genoemden af-
stand grooter. Zijn zij daarentegen in het apogaeum (43), dan is
die grens natuurlijk kleiner. — Kent men den betrekkelijken stand
van de Zon en de Maan , alsmede de grootte van de schijnbare mid-
dellijnen van beiden, dan kan men het verloop en de grootte der
verduistering door eene teekening gemakkelijk aanschouwelijk ma-
ken. — Iu de sterrekundige jaarboeken wordt ook de grootte der