Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
122
74. ZoNSVERDüisiEEiNG. Ecuc zousvcrduistering, door den voorbij-
gang van de Maan voor de zonneschijf veroorzaakt, komt op hetzelfde
neêr als de doorgang van een der binnenplaneten op de zonneschijf
of de bedekking van eene ster door de Maan. De verduistering
van de Zon door de Maan is echter veel meer in het oogvallend.
De zonsverduistering kan alleen plaats hebben als de Maan tusschen
de Aarde en de Zon staat, en bijgevolg alleen omstreeks het tijd-
stip van Nieuwe Maan. — De zonsverduistering kan echter alleen
dan bij Nieuwe Maan plaats hebben als het middelpunt der Maan
bij de conjunctie zeer nabij dc ekliptika komt of juist bij de con-
junctie eenen knoop passeert. — Eene zonsverduistering kan totaal,
centraal of ringvormig en gedeeltelijk zijn. — Bij eene zonsverduis-
tering moet de Maan aan de westzijde van de zonneschijf voor haar
treden om haar aan de oostzijde weder te verlaten, omdat de Maan
van het Westen naar het Oosten om de Aarde sneller beweegt, dan
de Zon van het Westen naar het Oosten in de ekliptika voortgaat.
De schaduw, die de Maan op de Aarde werpt, moet dus ook van
het Westen naar het Oosten voortgaan.
Laat, in fig. 40, Z de Zon, A dc Aarde cn M de Maan zijn, en
onderstellen wij dat die ligchamen in hunnen betrekkelijken stand cn
in hunne betrekkelijke grootte zijn voorgesteld op een oogenblik dat
de drie middelpunten in eene regte lijn liggen, dan zullen raaklij-
nen Aa en Bb, langs de Zon en de Maan getrokken, achter de Maan
de donkere kernschaduw als een kegel vormen, welks top tot dc
Aarde zal reiken of niet. Zij zal de Aarde bereiken als de schijn-
bare middellijn van de Maan op het oogenblik der conjunctie grooter
is dan die van dc Zon. In dat geval is dc Zon voor de plaatsen,
welke door de kernschaduw getroffen worden, geheel verduisterd. Dit
geval zal zich ook voordoen, als de afstand van de Aarde gedeeld
door den afstand van de Aarde tot de Maan grooter is dan het
quotiënt van de ware middellijnen van Zon en Maan. — Treft de
top van dezen schaduwkegel de Aarde niet, of is de schijnbare
middellijn van de Maan kleiner dan de schijnbare middellijn van
de Zon, dan heeft er geen totale zonsverduistering plaats. Dit
is dus het geval als de afstand van de Aarde tot de Zon gedeeld
door den afstand van de Aarde tot de Maan kleiner is dan het
quotiënt van de middellijnen van Zon en Maan.
Trekt men langs de Zon en de Maan de raaklijnen Ab en Ba,