Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-121
de schijf der Aarde half verlicht. In den stand Mi van de Maan is
de Aarde voor baar geheel donker, en in den stand M? van de
Maan ziet men de schijf der Aarde weder half verlicht.
Dewijl de middellijn van de Aarde ongeveer y-maal de mid-
dellijn van de Maan is, zoo vertoont zich van de Maan gezien de
schijf van de Aarde(y)'- of ruim 13-maal grooter dan de schijf van
de Maan ons toeschijnt. De Aarde kan dus aan de Maan, als
wij den afstand tot de Zon voor beide hemelligehamen en andere
omstandigheden gelijk stellen, aan de Maan ruim 13-maal meer licht
geven dan de Maan aan de Aarde geeft. Daarvan komt het dat het
niet door de Zon regtstreeks verlichte gedeelte van de maanschijf door
de Aarde zoo zeer verlicht wordt, dat wij het donkere gedeelte van
die schijf veelal kunnen zien.
Uit het behandelde is verder gemakkelijk na te gaan, dat de
Maan, bij Volle Maan, met de Zon in oppositie zijnde, eene belang-
rijke zuidelijke declinatie moet hebben als de Zon eene belangrijke
noordelijke declinatie heeft, en dat zij omgekeerd eene groote noor-
delijke declinatie heeft als de Zon eene groote zuidelijke declinatie
heeft, zoodat bij ons gedurende het winterhalQaar de Maan, ten ge-
volge van die noordelijke declinatie omstreeks de Volle Maan, lan-
ger aan den hemel moet schijnen dan gedurende het zomerhalQaar.
73. Stemedekking. Dewijl de Maan van de Aarde gezien onder
den sterrenhemel voortbeweegt, zoo gebeurt het meermalen dat zij
voor ons oog een of meer sterren bedekt. De beweging van de
Maan geschiedt van het Westen naar het Oosten en dus moeten de
sterren aan de oostzijde van de Maanschijf verdwijnen. De sterbe-
dekking heeft echter niet gelijktijdig plaats voor verschillende pun-
ten op het oppervlak der Aarde. Treedt eene ster voor zekere plaats
aan de oostzijde achter de Maanschijf, dan zal zij voor eene meer
oostelijk gelegene plaats nog oostelijk van de Maan gezien worden
en ongeveer zooveel later voor die plaats achter de Maan verschui-
len, als het verschil in tijd van beide plaatsen bedraagt, zoodat de
sterrebedekkingen als middel tot het bepalen van het verschil in
lengte kunnen gebezigd worden. Hieruit is het duidelijk dat eene
ster, voor eenige plaats bedekt wordende, voor plaatsen, die veel
noordelijker of zuidelijker liggen niet bedekt wordt. — Onder de
sterren van de eerste grootte kunnen Aldebaran, Regnlus, Spica
en Antares bedekt worden.