Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-118
die wijze gebeurt het dat de kuoopen met de aequinoctiaalpunten
kunnen te zamen vallen. Zoo viel in 1857 de klimmende knoop
in het teeken V. — Heeft de bran van de Maan dien stand, dan
bereikt de Maan hare grootste afwijking'of declinatie, als zij, sedert
zij het teeken T verlaten heeft, ongeveer i of # van hare baan om
de Aarde heeft afgelegd. Hare declinatie wordt dan 23°27'30" +
S'S'ég" = ss-se'ig". Valt echter de dalende knoop van de baan
van de Maan met het lentepunt te zamen, dan is de afwijking op
i en op I van hare baan om de Aarde 23°27'30" — 5''8'49" =
18°18'41". — Ook de lijn der absiden of, wat op hetzelfde neêr-
komt, het perigaeum is veranderlijk. Dit punt gaat regtloopend
jaarlijks bijna 41° vooruit, of maakt in 8 jar. 310 dag. 13 ur. 48
min. en 53 sec. eene geheele omwenteling — Bij al deze verande-
ringen en nog andere nader te noemen wijzigingen in den loop der
Maan is het bepalen van hare juiste plaats een vrij ingewikkeld
vraagstuk.
De breedte van de Maan verandert dus tusschen 5°8'49" ten
Noorden en 5°8'49" ten Zuiden van de ekliptika, en dewijl men
den voortgang van de Maan in hare loopbaan voor eiken gegeven
tijd kan berekenen, zoo kan men als men de geocentrische lengte
van een der knoopen kent, daaruit voor elk oogenblik de geocen-
trische lengte en breedte van de Maan of hare regte opklimming en
declinatie bepalen. — Ook met behulp van eene hemelglobe kan de
aanwijzing van de plaats van de Maan naar die gegevens ten naastenbij
geschieden. — Tot het juist bepalen van den stand van de Maan
vindt men in de sterrekundige jaarboeken de noodige gegevens.
De ware loopbaan van de Maan zou, wat haren vorm aangaat,
uit de pool van de ekliptika bijna in hare ware gedaante gezien
wordeu, omdat het vlak van die baan slechts eenen kleinen hoek
met de ekliptika maakt. Stelt, in fig. 38, de gebogene lijn PQ
een gedeelte voor van den weg, dien het middelpunt van de Aarde
om de Zon beschrijft, en gaan wij den loop van de Maan van
de eene conjunctie tot de andere na, dan zal de Maan in dien tijd
eenen geheelen omloop om de Aarde volbragt hebben, terwijl de
Aarde zelve in dien tijd ongeveer 30° is vooruitgegaan. Stelt
nu AA» den weg voor, dien de Aarde aflegt, en deelt men dien
in vier gelijke deelen, dan zal, als de Aarde in A en de Maan
in M en dus in conjunctie is, de Maan, als de Aarde in Ai