Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-6
plat vlak liggen. — Wij zullen ons hier echter niet verder met deze
kleine hemelligehamen inlaten.
9. DE BIJPLANETEN EN HARE BETREKKING TOT
HARE HOOFDPLANEET EN TOT DE ZON.
68. Buplaitetes. Reeds in (58) hebben wij gezien wat bijplaneten,
satellieten, wachters of trawanten zijn. Zij beschrijven om hare hoofd-
planeet banen, even als de planeten om de Zon wentelen. Zij vol-
gen echter de planeet, waartoe zij behooren op haren weg om de
Zon, zoodat haar baan meer zamengesteld is dan die van de plane-
ten. — De Maan is de algemeen bekende bijplaneet van de Aarde. De
bijplaneten van de overige planeten zijn eerst later met den teleskoop
ontdekt. — Wij zullen van die bijplaneten het een en ander mede
deelen, en beginnen daartoe met de bijplaneet van de Aarde. Van
Mercurius, Venus en Mars zijn geene bijplaneten bekend.
69. De maan, en habe schijnbabe beweging. In (56) hebben wij
reeds gezien, hoe de afstand en de grootte van de Maan bepaald
zijn. Wij zullen hier meer in bijzonderheden tot de beschouwing
van dat hemelligchaam overgaan. — De afstand van de Maan tot
de Aarde bewijst ten duidelijkste, dat zij niet op gelijke wijze als andere
hemelligehamen om de Zon wentelt. Verschijnt zij des nachts, dan
bevindt zich de Aarde tusschen haar en de Zon, en zien wij haar des
daags, dan is zij tusschen de Aarde en de Zon.
Gaan wij de beweging van de Maan een weinig oplettend na,
dan zien wij haar ten gevolge van de asbeweging van de Aarde in
het Oosten opkomen en in het Westen ondergaan. Nu eens gaat
zij hooger en dan weêr lager door den meridiaan even als de Zon,
maar zij neemt altijd eene plaats in of nabij de ekliptika in. —
Gaat zij echter op zekeren dag gelijktijdig met eene zekere ster door
den meridiaan, dan zal zij den volgenden dag bijna een uur later
door den meridiaan gaan, zoodat het duidelijk blijkt dat zij om de
Aarde beweegt in de rigting van het Westen naar het Oosten.
Hare beweging is steeds regtloopend, nooit terugloopend of statio-
nair. — Hieruit blijkt dat de Maan om de Aarde moet bewegen.