Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-115
30-maal die van de Aarde tot de Zon. De middellijn van deze
planeet 4,65-maal die van de Aarde; de heUing van hare baan is
1,76°; de lengte van het perihelium 1,76° en de lengte van den
klimmenden knoop 129,85°. Overigens is van deze planeet, die ook
bijplaneten schijnt te hebben, nog weinig bekend.
8°. De planetoïden. De vergelijking van de betrekkelijke afstan-
den van de planeten tot de Zon, die in den vorm van eene zekere
wet werd voorgesteld, als
Mercurius 4,
Venus 4 -f 1x3= 7,
Aarde 4-f 2x3= 10,
Mars 4+ 4x3= 16,
Jupiter 4 + 16x3= 52,
Saturnus 4 + 32 x 3 = 100,
Uranus 4 + 64x3 = 196,
gaf aanleiding tot het vermoeden dat tusschen Mars eu Jupiter
de baan van eene onbekende planeet kon gelegen zijn, die aan den
afstand 4 + 8x3 = 28 zou voldoen, zoodat die afstand omstreeks
2,8-maal dien van de Aarde tot de Zon bedroeg. — Op den eersten
dag van de negentiende eeuw werd echter een der kleine planeten
ontdekt, die op ongeveer dien afstand om de Zon zweven. Weldra
nam het getal der nieuw ontdekte kleine planeten toe, zoodat er
reeds meer dan zestig ontdekt zijn. Al deze kleine planeten zijn
onzigtbaar voor het ongewapende oog. Vau velen heeft men zelfs
de schijnbare middellijnen nog niet kunnen meten. Onder deze pla-
neten heeft, zoover bekend is. Flora den kleinsten gemiddelden
afstand van de Zon, die 2,2-maal dien van de Aarde tot de Zon
■bedraagt, terwijl die van Calypso ongeveer 3,6 bedraagt. — De
omloopstijd van deze kleine planeten is van 3 jaar en 95 dagen tot
6 jaar en 301 dag. — De excentriciteit der banen is bij velen zeer
belangrijk. DievauJuuo is 0,256, van Pallas 0,242 , maar van ande-
ren is die geringer, zoodai, die van Ceres slechts 0,076 bedraagt.—
De helling der banen is mede zeer versehillend. De grootste hel-
ling is die van Pallas, welke 34°37' bedraagt, terwijl de baan van
Massilia slechts 40' op de ekliptika helt. — De banen der planetoïden
sluiten elkander niet in, zooals de baan van de Aarde de loopbanen
van Venus en Mercurius insluit. Zij loopen somwijlen als hoepels
door elkander, of als excentrische ringen, die niet in een zelfde
8*