Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hl
de Zon met eenen lioogeren graad van juistheid kunnen berekend
worden, zoodat dan ook de afstanden van de andere hemelligehamen
naauwkeuriger kunnen berekend worden.
De natuurlijke gesteldheid van Venus is weinig bekend. Uit de
waarneming van donkere vlekken op hare schijf heeft men opgemaakt,
dat zij in 23 uren en 21 minuten om hare as wentelt.
Dewijl bij de verschillende schijngestalten van deze planeet de afschei-
ding van het verlichte en donkere deel der schijf niet scherp is, maar
het licht naar het donkere gedeelte langzamerhand in helderheid
afneemt, zoo besluit men tot eene morgen- en avondschemering, als
de Zon voor eenig gedeelte van de planeet nabij de opkomst is of
nadat zij is ondergegaan, en die schemering zou even als bij de
Aarde een gevolg zijn van het bestaan van eenen dampkring. — Op
hare oppervlakte meent men hooge bergen waargenomen te hebben,
die de hoogste bergen van de Aarde wel zesmaal in hoogte overtreffen.
Het licht en de warmte van de Zon moeten op Venus ongeveer
(y)" of omstreeks tweemaal sterker zijn dan op de Aarde.
Dewijl Venus bijna zoo groot is als de Aarde en hare asbeweging
in bijna denzelfden tijd geschiedt als die van de Aarde, zoo kan
hare afplatting niet merkbaar van die der Aarde verschillen. —
Dewijl zij in omstreeks 225 dagen om de Zon wentelt, zoo heeft
de afwisseling van de saizoenen, waar die merkbaar is, om de acht
weken plaats.
Somwijlen doet zich het treffende verschijnsel voor dat Venus ge-
lijktijdig met de Zon aan den hemel schijnt en met het bloote oog
waarneembaar is. Dit kan plaats hebben als Venus haren grootsten
glans bezit en als avondster voorkomt.
3°. Mars. Deze planeet, welker loopbaan buiten die van de
Aarde is, kan dus niet even als Mercurius en Venus tusschen de
Aarde en de Zon doorgaan, en bijgevolg nooit geheel verduisterd
wezen. Een afwisseling van schijngestalten heeft zij dus niet zoo
sterk als die planeten. Bij de conjunctie vertoont zij zich het
kleinst, maar als geheel verlichte schijf, en bij de oppositie het
grootst en ook als geheel verlichte schijf. Dewijl haar afstand van
de Zon 15 is, als die van de Aarde tot de Zon 10 is, zoo is zij in
den eersten stand 25 : 5 = 5-maal verder verwijderd dan indenlaat-
sten stand. Hare schijf moet zich dus bij de oppositie minstens 2 5-maal
grooter vertoonen dan bij de conjuntie, en prachtig schittert zij dan na