Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-110
telijk van de Zon, dan neemt haar glans toe, omdat zij de Aarde
meer nadert. Bij hare grootste oostelijke elongatie is haar glans
het grootst, maar door eenen kijker gezien, vertoont zij zich als
half donkere en half verlichte schijf, welker verlichte deel aan de
zijde van de Zon is. Nog blijft de lichtglans van Venus toenemen,
omdat zij nog meer tot de Aarde nadert, maar het verlichte deel
van het oppervlak, dat zij ons toont, wordt hoe langer hoe kleiner,
en haar schijnbare middellijn groeit steeds aan. Eindelijk heeft zij
de benedenste conjunctie bereikt, en nu is het naar de Aarde ge-
keerde gedeelte van haar oppervlak eene geheel donkere schijf, maar
met belangrijk vergroote middellijn.
Nu gaat zij westelijk afwijken om morgenster te worden, neemt
gaandeweg in glans toe, verkrijgt aan de oostzijde het verlichte deel
van hare schijf, neemt in schijnbare middellijn af, en is op hare
grootste westelijke elongatie weder half verlicht. Nu wordt het don-
kere deel van hare schijf al kleiner en kleiner, totdat zij weder ge-
heel verlicht is. Uit deze schijngestalten blijkt ten duidelijkste dat
Venus een donker ligchaam is, dat zijn licht van de Zon ontleent.
Hoe uit de schijnbare middellijn van Venus in de beide conjunc-
ties de afstand tot de Zon, en hoe uit den daaruit afgeleiden afstand
van de Aarde en de schijnbare middellijn op dien afstand bij de
onderste conjunctie de ware middellijn berekend wordt, behoeven wij
niet verder aan te toonen.
Heeft de benedenste conjunctie plaats tijdens de planeet een der
knoopen van hare baan passeert, dan gaat zij voorbij de Zonneschijf
als een zwarte vlek van meer dan 1 minuut schijnbare middellijn.
Deze doorgang van Venus kan, zoo als uit (65) volgt, alleen plaats
hebben omstreeks 5 Junij of 7 December. De volgende doorgangen
zullen plaats hebben: 8 Dec. 1874 en 6 Dcc. 1882.
Men heeft in de waarneming van die doorgangen uit twee of meer
verschillende plaatsen op de Aarde de betrekkelijke lengte van de
lijnen, die de planeet voor die plaatsen op de Zonneschijf beschrijft,
de schijnbare middellijn van de Zon, den betrekk'elijken afstand
van de Aarde en van Venus tot de Zon en de horizontale parallaxis
van de Zon traehten te bepalen, en naar den waargenomen door-
gang van 3 Junij 1769 werd die parallaxis op gemiddeld 8,6 se-
conde bepaald (54). Bq volgende doorgangen zal die naauwkeuriger
kunnen bepaald worden, en dan zal de afstand van de Aarde tot