Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-109
kleinheid en geringe snelheid van asbeweging maken dus dat dc
afplatting aan hare polen zeer gering is.
Heeft de aequator van de planeet éene belangrijke helling ten
opzigte van haar loopbaan, dan is er afwisseling van saizoenen en
wel om de drie weken.
Merkwaardig zijn voor de sterrekundigen vooral de doorgangen van
Mercurius, waarbij de planeet voor de aardbewoners als een zwarte
stip over de zonneschijf gaat. Dit kan alleen plaats hebben als zij
in de onderste conjunctie en gelijktijdig in een der knoopen van
hare baan is. Zulke doorgangen kunnen, zooals uit de in (65) op-
gegevene lengte van den klimmenden knoop af te leiden is, alleen
plaats hebben omstreeks Mei en November. In deze eeuw zullen
er nog doorgangen van Mercurius plaats hebben 11 Nov. 1861,
4 Nov. 1868, 6 Mei 1878, 7 Nov. 1881, 9 Mei 1891 en 10 Nov.
1894, — waarvan de twee voorlaatsten hier te lande onzigtbaar zijn.
Hoe uit de schijnbare middellijn van Mercurius bij de bovenste
en benedenste conjunctie haar afstand tot de Zon in zonne-afstanden
berekend wordt blijkt uit (62), en evenzeer is het gemakkelijk uit
de schijnbare middellijn en den afstand , dien zij in een der conjunc^
ties van de Aarde heeft, de grootte van haar middellijn en dus
haar inhoud te bepalen.
2°. Venus. Deze algemeen bekende planeet, die eene elongatie
van omtrent 48° kan hebben, kan alzoo omstreeks 3 uren vóór Zons-
opgang en even zooveel na Zonsondergang haar schitterend licht
vertoonen. Zij doet zich daarbij dikwijls in verbazende pracht voor,
en is als morgen- en avondster bekend. Zoo als uit haren synodi-
schen omloopstijd (61) volgt, zal Venus, als zij aan de oostzijde van
de Zon komt te staan, om als avondster op te treden, gedurende
omstreeks 292 dagen die functie vervullen, om dan aan de west-
zijde van de Zon als morgenster te verschijnen, en weder na nog-
maals omstreeks 292 dagen weder avondster te zijn^
De schijnbare middellijn van deze planeet doet zich onder
verschillende grootten voor, waaruit hare beweging om de Zon
verklaard wordt. Bovendien ontvangt zij haar ligt van de Zou:
want even als bij Mercurius zoo is bij haar met behulp van
eenen kijker de verandering van de phases merkbaar. Bevindt
zij zich in de bovenste conjunctie, dan is haar schijf geheel
verlicht en haar middellijn het kleinst. Verwijdert zij zich nu oos-