Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-103
'de baan van Mars zal voorstellen, en daarom eenen anderhalf maal
grooteren straal heeft dan de ring, die de Aardbaan voorstelt. Dezen
ring, die zooals wij later zien zullen, niet in het vlak van de Aard-
baan mag liggen, geeft men ten opzigte van dat vlak eene helling
van ongeveer 2 graden, en laat het snijpunt van zijn vlak met dat
van de Aardbaan op 48° lengte plaats hebben, zoodanig dat daar de
klimmende knoop (61) valt. Wanneer men nu de wasballetjes vau
de Aardbaan nommert, en nagaat, waar Mars op een zeker tijdstip
zich uit de Zon gezien in hare baan bevindt, dan kleeft men daar
eveneens een was balletje aan, en van dat punt af verdeelt men den
omtrek van de baan van Mars in 23 gelijke deelen, omdat Mars om-
streeks 23 maanden noodig heeft om hare baan af te leggen, en op die
deelpunten kleve men eveneens wasballetjes. — Indien men nu op ze-
ker tijdstip de plaatsen van de Aarde en Mars kent, legge men van
de Aarde over Mars eene regte lijn, en trekt men uit het middelpunt
der Zon eene lijn evenwijdig aan dc genoemde, dan zal men in of
bij de ekliptika een punt vinden, waar Mars zich, uit de Aarde ge-
zien , schijnbaar zal bevinden. — Handelt men op gelijke wijze, dau
zal men voor eene zekere tijdruimte de schijnbare loopbaan van de
planeet kunnen afbeelden.
65. Elementen van de banen dee planeten. Om met meer-
dere juistheid dan zulks door constructie gcschieden kan, den stand
van eene jlaneet te bepalen, neemt men de berekening te baat, en
daartoe neeft men dc elementen van hare baan te kennen. Tot die
elementen rekent men vooral, volgens het stelsel van Copernicus:
1°. den gemiddelden straal van hare baan,
2°. den siderischen of waren omloopstijd,
3°. de helling van hare baan ten opzigte van de baan der Aarde,
4°. de lengte van den klimmenden knoop, en
5°. de epoche, of de lengte van de planeet op een gegeven
tijdstip.
De eerste en tweede dezer grootheden hebben wij reeds in (61)
opgegeven. De andere waarden volgeu hier.