Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-102
keu is den lioek V'A'V"oostelijker afgeweken, zoodat de schijnbare
regtloopende beweging dus hier gelijk is aan de som van de ware bewe-
ging van de planeet en de schijnbare beweging, die zij, stilstaande, door
de beweging van de Aarde verkrijgt. — Nemen wij echter, zooals
in fig. 35, de Aarde in A en Venus in V, zoodat Venus in de on-
derste conjunctie is, en verplaatst men weder A in A' en V in V',
dan zal de lijn van de Aarde naar Venus van den stand AV in dien
van A'V' overgegaan zijn. Was V blijven staan en A naar A' be-
wogen, dan zou de planeet den hoek VA'S oostelijk van A'S zijn
voortgegaan. Door de eigene beweging van de planeet schijnt zij
echter den hoek V'AV westelijk van de lijn A'V afgeweken te zijn,
en daar deze hoek grooter dan VA'S is, zoo schijnt de planeet
westelijk van de lijn A'S te zijn afgeweken, en hare schijnbare be-
weging is dus teruggaande ten opzigte van die van fig. 3é. — Neemt
men eene buitenplaneet bijv. Mars, die wij in de fig. 36 en 37
door M, de Aarde door A en de Zon door Z voorstellen, dan levert
de stand van A en M de conjunctie op. Beweegt zich nu A naar
A' bijv. • één zesde van hare baan en M naar M' ongeveer één
twaalfde van de baan, dan schijnt de beweging, even als in fig. 34,
regtloopend. — In fig. 37, als M met Z in oppositie is, zal, als A
in A' en M in M' is aangekomen, de rigtlijn A'M' westelijk van AS
afgeweken zijn, en de beweging van de planeet M schijnt dus te-
gengesteld aan die van fig. 36.
Wil men de schijnbare baan van eene planeet door constructie
bepalen, dan kan men daartoe zeer gemakkelijk een model vervaar-
digen, dat die schijnbare beweging zeer verduidelijkt. Men make
namelijk eenen grooten ring van eene strook blik, die van binnen
wit geverwd is, trekke daarin uit hetzelfde middelpunt eenen zwar-
ten cirkel. Daarna brenge men binnen dien ring een concentrischen
ring van koperdraad, die de loopbaan der Aarde zal voorstellen.
De blikken ring stelt het hemelgewelf voor. Zijn middelpunt is de
Zon, en de zwarte cirkel op den ring de ekliptika. Op dien zwar-
ten ring kan men eene graadverdeeUng en de teekcns van de eklip-
tika aanbrengen. Nu stelle men op den ring, die de baan der Aarde
zal voorstellen, twaalf balletjes van was, op gelijke afstanden, om
den stand van de Aarde in de verschillende maanden voor te stellen.
Wil men nu bijv. de schijnbare loopbaan van Mars bepalen, dan
brenge men nog eenen concentrischen ring van koperdraad aan, die