Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-101
om de Aarde wentelen, maar Mercurius en Venus in cirkelvormige
banen om de Zon en met deze om de Aarde bewegen. — Het stelsel
van TycHO de Bbahe, die in 1601 stierf, en belangrijke waarne-
mingen aan het hemelgewelf gedaan heeft, plaatst eveneens de Aarde
als onbewegelijk in het middelpunt van de banen van de Maan en
de Zon; maar om de Zon wentelen de planeten als om een ge-
meenschappelijk middelpunt en met haar wentelen zij om de Aarde.
Kort voor de geboorte van Tycho maakte in 1543 Copernicus,
weinige dagen voor zijn dood, een stelsel bekend, dat geheel in
strijd was met de algemeen aangenomene oude stelsels. Het stel-
sel van CoPEBNicus plaatst de Zon in het middelpunt, en laat de
Aarde en de overige planeten om de Zon bewegen. Mercurius en
Venus staan digter bij de Zon dan de Aarde en van daar den naam
van binnenplaneten, omdat zij binnen de baan van de Aarde liggen.
Op de Aarde volgen Mars, Jupiter en Saturnus, die buitenplaneten
heeten, omdat hare banen buiten den loopkring der Aarde liggen.
De Aarde zelf strekt tot middelpunt van den loopkring der Maan,
die met haar om de Zon beweegt. — Dit stelsel, dat, behoudens
kleine wijzigingen, als het eenige ware geldt, laat de verschijnselen,
die zich bij de beweging der planeten voordoen, gemakkelijk verklaren.
64. Verklabing van de xerügloopende beweging der plane-
ten. Reeds in (60) hebben wij opgemerkt dat eene binnenplaneet
de grootste regtloopende beweging heeft als zij in de bovenste con-
junctie, en de grootste terngloopende beweging als zij in de onderste
conjunctie met de Zon is. Om na te gaan dat volgens het stelsel
van Copernicus zich dit verschijnsel zeer goed laat verklaren, stellen
wij, in de flg. 34 en 35, de Zon voor door Z, de binnenplaneet
Venus door V en V' en de Aarde door A en A'. — Staat, in
fig. 34, de Aarde in A en Venus in V, en dus V in de bovenste
conjunctie, dan zal men haar in de rigting van de vaste ster S zien.
In den tijd nu, dat de Aarde ongeveer één zesde van hare baan
aflegt, zal Venus ongeveer één vierde van hare baan afleggen (61).
Wordt nu de Aarde van A naar A' en Venus van V naar V' ver-
plaatst, dan zal de planeet schijnbaar den hoek V'A'S oostelijker in
hare baan zijn voortgegaan, omdat A'S ongeveer evenwijdig aan AS
blijft (57). Was de planeet in V gebleven, dan zou zij bij de ver-
andering van den stand van A, den hoek VA'S oostelijker afgewe-
ken schijnen. De lijn echter van de Aarde tot de planeet getrok-