Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-100
bijv. in fig. 33 het geval zijn, en meet men den hoek ZAP = «, daii
is hier
ZP i= a tang. «.
De sterrekundigen hebben echter andere middelen om uit naauvr-
keurige waarnemingen den afstand van de planeten tot de Zon te
bepalen, en hebben gevonden, dat de gemiddelde afstanden zijn:
voor Mercurius 0,387 aardafstanden,
„ Venus 0,723
„ Mars 1,524
„ Jupiter 5,203
„ Saturnus 9,539
„ Uranus 19,183
Vergelijkt men deze afstanden onderling, dan leveren zij eene ver-
rassende opvolging. Neemt men namelijk den afstand vau Mercu-
rius tot de Zon gelijk 4, dan heeft men ongeveer:
Mercurius 4 >
Venus 7 of 4 + 1X3,
Aarde 10 „ 4 -f 2x3,
Mars 16 „ 4 + 4X3,
Jupiter 52 „ 4 4- 16 X 3,
Saturnus 100 „ 4 + 32 X 3,
Uranus 196 „ 4 + 64 X 3.
63. Wake bewegikg dee planeten, en planetenstelsels. Om-
trent de ware beweging der planeten zijn in verschillende tijden
verschillende meeningen ontstaan. Ptolomaèus, die omstreeks de
helft van de tweede eeuw te Alexandrie leefde, was de eerste, die
door het aannemen van een bepaald stelsel de schijnbaar dwalende
beweging van de planeten zocht te verklaren. Het stelsel van Ptolo-
maèus komt hier op neêr: De Aarde neemt het middelpunt van het
heelal in, en om haar wentelen in cirkelvormige banen de Maftn,
de Zon en de vijf toen bekende planeten. Hij plaatste daarbij de
planeten, welke de snelste schijnbare beweging aan het hemelgewelf
hebben, het digtst bij de Aarde, zoodat de opvolging was: Maan,
Mercurius, Venus, Zou, Mars, Jupiter en Saturnus. — Dewijl ech-
ter uit dit stelsel moeijelijk te verklaren zou zijn, waarom Mercu-
rius en Venus altijd zoo digt bij de Zon blijven, zoo entstond het
zoogenaamde Aegyptische stelsel, waarbij aangenomen werd, dat de
Maan, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus in de genoemde volgorde