Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-97
en grootte zeer versehillend voorkomeu, dan heeft men grond om
te besluiten, dat de planeten even als de Aarde om de Zon wente-
■len. Zoo is de glans van Venus het grootst als zij ongeveer 40°
oostelijk of westelijk van de Zon is gelegen, veel minder als zij in
de bovenste conjunctie is, en het minst in de benedenste conjunctie.
In de bovenste conjunctie ziet men Venus als geheel verlichte
schijf, bij hare grootste elongatie als half verlichte schijf met iets
grootere middellijn, en in de benedenste conjunctie als geheel don-
kere schijf met nog grootere middellijn. Deze verschijnselen kunnen
alleen verklaard worden, als men aanneemt dat Venus binnen den
loopkring der Aarde om de Zon wentelt. Dergelijke veranderingeu
zijn ook, ofschoon moeijelijker, aan Mercurius waar te nemen. —
Bij de andere planeten neemt men door doelmatige kijkers waar,
dat zij zich altijd als ronde geheel verlichte schijven voordoen, doch
de grootte van hare schijnbare middellijnen is veranderlijk. Deze
is het grootst ten tijde van de oppositie, en het kleinst ten tijde
van de conjunctie. — Dit verschijnsel kan verklaard worden, als
men aanneemt dat die planeten buiten den loopkring der Aarde om
de Zon wentelen.
Mercurius en Venus heeten daarom binnenplaneten en de overigen
worden om die reden buitenplaneten genoemd.
De tijd, die er voor eene binnenplaneet bijv. van eene onderste
conjunctie tot de volgende onderste conjunctie verloopt, of de tijd,
dien zij behoeft om, van de Aarde gezien, den weg om de Zon af
te leggen, is haar schijnbare of synodische omloopstijd. Voor de bui-
tenplaneten wordt die tijd gevonden door na te gaan hoeveel tijd
er verloopt tusschen twee opvolgende conjuncties of twee opvolgende
opposities.
De banen der planeten liggen gedeeltelijk ten Noorden en gedeel-
telijk ten Zuiden van den zonsweg. Zij moeten dus het vlak van de
ekliptika in twee punten snijden, welke punten knoopen genoemd
worden. Gaat de planeet van de zuidzijde van de ekliptika over
naar de noordzijde, dan gaat zij door den klimmenden knoop, en
gaat zij van de noordzijde naar de zuidzijde over, dan passeert
zij den dalenden knoop.
De tijd, die er verloopt tusschen twee doorgangen van de pla-
neet door den klimmenden knoop, is de siderische omloopstijd.
De knoopen van de baan van eene planeet vallen niet altijd op