Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-94
mate de ster digter bij de ekliptika ligt. De groote as van die
ellips blijft echter van even ver verwijderde sterren dezelfde
schijnbare grootte behouden. De hoek, waaronder uit eene vaste
ster de helft van de groote as'van de baan der Aarde gezien wordt,
heet de jaarlijksche parallaxis van die ster.
Noemen die halve as r en den afstand van de Aarde tot die ster a,
dan is, als wij de jaarlijksche parallaxis p noemen, even als in (54)
r
a = -:-.
sm. p
Is die parallaxis dan bepaald, dan kan de afstand van de ster
in afstanden van de Aarde tot de Zon uitgedrukt worden.
Die parallaxis wordt aldus bepaald: men meet in het wintersol-
stitium den toppuntsafstand SCT = a en in het zomersolstitium den
toppuntsafstand SAT = b. Trekt men nu de lijn CS' evenwijdig
aan AS, dan is hoek SCS'= hoek SCT —hoek SAT = a —b, en
dus ook hoek ASC = a — b. — De hoekASC is nu de hoek, onder
welken de groote as der Aardbaan gezien wordt, zoodat hieruit de
parallaxis bekend is, dewijl die als de helft van hoek ASC kan
aangemerkt worden. .Daar nu de parallaxis zeer klein is en van de
gemeten sterren minder dan 1 seconde bedraagt, zoo kan men de
afstanden AS en SC, als gelijk aannemen. — Zoo heeft men den
afstand van eenige vaste sterren bepaald, als:
Vaste sterren. ■ Parallaxis. j Afstand.
Aldebaran in den Stier 0,91" 221000 zonne-afstanden
61 in de Zwaan 0,37" 550000
Sirius in den Gr. Hond 0,23" 890000
Wega in de Lier 0,21" 970000
de Poolster in den KI. Beer 0,16" 1261000
Arcturus in Boötes 0,13" 1600000
Ofschoon men er nu in geslaagd is om althans bij benadering
den afstand van sommige vaste sterren te bepalen, is het nog niet
gelukt hare schijnbare middellijnen te meten en daaruit in verband
met den afstand de grootte dier bollen te berekenen. En hoe moeije-