Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-90
en ondergang van de Zon, bij z'ijne te huis komst één dag in tijd-
telling achter zal zijn bij de plaats van waar hij uitvoer, en is hij
in oostelijke rigting de Aarde omgezeild, dan zal hij iu dagteeke-
ning één dag vooruit zijn bij zijne tehuiskomst.
Dewijl nu twee plaatsen, die 180° in lengte verschillen, een ver-
Schil in tijd hebben van 12 uren, zoo zal het als het te Greenwich
Zaturdag 3 ure na den middag is volgens eeu zeeman, die in wes-
telijke rigting gevareu is naar eene plaats, die met Greenwich 180'^
in lengte verschilt, daar Zaturdag morgen 3 ure zijn, terwijl een
ander, die naar die plaats in oostelijke rigting voer, zal meeuen dat
het Zondag morgen 3 ure is. Wiens tijdtelling zal uu overeenko-
men met die van de bewoners dier plaats? — Het komt ons voor
dat dit geheel afhaugt van de hoofdrigting, die de reizigers bij hun
vertrek aaunamen, toen zij de christelijke tijdrekening op eene plaats
bragten, waar die nog niet bestond, zoodat als die tijdrekening op
die plaats gebragt is ten gevolge vau eene reis in westelijke rigting
de eerste tijdsbepaling de ware is, terwijl, in geval de reis in oos-
telijke rigting geschied -is, de andere tijdsbepaling in overeenstem-
ming met die plaats zal zijn.
55. Parallaxis, afstand en grootte van de zon. De vaste
sterren zijn zoo ver van de Aarde verwijderd, dat de straal van de
Aarde bij dien afstand als oneindig klein kan ar.ngemerkt worden:
want meet men uit twee puuten B en B', fig. 27, van het opper-
vlak der Aarde bijv. onder denzelfdeu meridiaan, de hoogte SBH
en SB'H' van eene ster S, dan zal men bevinden dat de hoeken
SBM en SB'M met den hoek BMB' die het verschil in breedte van
de plaatsen B en B' aangeeft, 360° maken, zoodat hoek BSB' ge-
lijk nul zal zijn, waarom dan de lijnen BS en B'S of alle lijnen,
die uit punten vau het oppervlak der Aarde naar eenige vaste ster
getrokken worden, evenwijdig loopen. — Geenszins is dit het geval
meï de lijnen, die naar het middelpunt van andere hemelligcha-
men, zooals de Zon, de Maan en anderen getrokken worden. Laat
bijv. M, fig. 28, het middelpunt der Aarde, A eenig punt op haar
oppervlak, H'ZT het hemelgewelf, AH de schijnbare horizon, MH'
de ware horizon, T het toppunt en Z het middelpunt van de Zon
voorstellen, dan is ZMH' de ware hoogte vau de Zon uit het mid-
delpunt der Aarde gemeten en ZAH is hare schijubare hoogte of de
hoogte boven den schijnbaren horizon.