Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
dus kan men, als men de toeneming van declinatie als gelijkmatig
aanneemt, berekenen hoeveel tijd zij noodig had om (90 — b) — h
graden in declinatie te winnen. Voor dien tijd, na den middag van
20 Maart, vindt men dan de waarde - p X 24 uren, zoodat
men den tijd van den doorgang der Zon volkomen bepaald heeft.
Nu is de plaatsbepaling van het lentepunt gemakkelijk: want
heeft men op den 20 en 21 Maart ook den jnisten tijd van culmi-
natie van eene bepaalde ster waargenomen, dan kan men uit dien
tijd het verschil in regte opklimming van de Zon vinden. "Was
bijv. die tijd op 20 Maart t en op 21 Maart t', dan was de Zon
t' — t in regte opklimming toegenomen' in 24 uren, zoodat men
berekenen kan hoeveel zij in regte opklimming toegenomen is van
den middag van 20 Maart tot den tijd, waarop zij door het lente-
punt ging.
Op den middag van 20 Maart was de regte opklimming van de
bedoelde ster in tijdmaat 12—t uren, en op het tijdstip, waarop
de Zon door het lentepunt ging, was die regte opklimming dan
zooveel minder als de bovengenoemde toeneming in regte opklim-
ming bedroeg.
Weet men nu hoeveel, op het oogenblik dat de Zon door het
lentepunt ging, de regte opklimming van eenige vaste ster bedroeg,
dan is ook het lentepunt volkomen bepaald, zoodat nu ook gemak-
kelijk de regte opklimming van elke vaste ster met juistheid te be-
palen is, naar de regte opklimming van de meer bedoelde ster.
53. Bepaling van de geogkaphische breedte van eene plaats.
In (26) hebben wij opgemerkt dat de aardrijkskundige breedte van
eene plaats gelijk is aan hare poolshoogte, en in (50) hebben wij
gezien hoe de pool des hemels bepaald wordt. Neemt men dus de
Hoogte van de pool boven den horizon naauwkeurig waar, dan is
ook de breedte van de plaats bekend.
Is echter het vrije nitzigt naar de pool belemmerd, dan kan men
door de hoogte van eene bepaalde ster bij hare culminatie te meten,
en, na hare declinatie gezocht te hebben, de breedte van de plaats
bepalen: want, als h die hoogte en d die declinatie voorstelt, dan
is b = 90° — (h — d), als de declinatie gelijknamig is met de breedte,
en b = 90° — (h -j- d), als de declinatie ongelijknamig is met de
breedte.