Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-87
muih, de raiddagUoogte en de amplitude gemakkelijk met deu theo-
dolit meten.
51. Bepaling van de pool des hemels enden aeqttatok. Met
behulp van den meridiaan kau men de hoogte van het hoogste en
van het laagste culminatiepunt vau eene circumpolaire ster bepa-
len. Telt men beide hoogten te zamen, dan zal de halve som de
hoogte vau de pool boven deu horizon aaugeveu, zoodat de pool iu
den meridiaan bepaald kan wordeu. Heeft men nu een werktuig,
dat tot het meten van verticale hoeken dient, dan zal men, indien
men den kijker, die op de pool gerigt was, 90° in het meridiaan-
vlak omdraait, dezen op het hoogste punt van den aequator gerigt
hebben. — Heeft meu eene* spil zuiver iu de rigting vau de pool
gesteld, en regthoekig op deze eenen kijker aangebragt, dan zal
men door dezen in alle rigtingen naar den aequator zieu. Is die
kijker tevens beweegbaar om het middelpunt vau eenen cirkel, die
een gedeelte van dc spil tot middellijn heeft, terwijl de kijker even-
wijdig aan dien cirkel blijft, en heeft meu eene graadverdeeling op
dien cirkel aaugebragt, dau is dit werktuig dienstig niet alleen
öm alle punten in den aequator waar te nemen, maar ook is het
geschikt om zoowel bij de culminatie vau eenig hemelligchaam
of buiteu deu meridiaan de declinatie te meten. — Op de sterre-
wachten treft men zulke werktuigen, die onder deu naam vau aequa-
toriaal insirmieni bekend zijn, aan, terwijl een werktuig, welks kij-
ker, om eeue horizontale as beweegbaar iu het vlak vau den meri-
diaan gesteld is, meridiaankijker fasmge-imiriment genoemd wordt.
52. Bepaling van het lentepunt. Tot de bepaling vau de
regte opklimming der ster^eu^ en den sterretijd is het noodig de
juiste ligging vau het lentepunt te kennen. Om dat punt te bepa-
len moet men het tijdstip waarnemen, waarop liet middelpunt vau
de Zon door den aequator gaat. Daartoe moet meu naauwkeurig
de middaghoogte van de Zou vóór en na de lente-nachtevening me-
ten. Nu is voor eenige plaats, welker breedte b graden bedraagt
de colatitude of meridiaanshoogte 90 — b graden. Vindt men nu
op den middag van 20 Maart de middaghoogte van de Zon gelijk
h, en op den 21 Maart gelijk h', dan zal, als h ^ 90 — b en h' 90 — b,
de Zou door de linie gegaan zijn tusschen den middag van 20
en 21 Maart. In dien tusseheutijd vau 24 uren is de Zon h' — h
graden iu middaghoogte en dus ook iu declinatie toegenomen, en