Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-86
eeue liju uit het middelpunt getrokken den boog tusschen die punten
midden door, dan zal die lijn de middaglijn zijn. Zulk een werk-
tuig wordt gnomon genoemd.
De ouden gebruikten zulk een werktuig tot het bepalen van de
hoogte van de Zon. Immers de regthoekige driehoek, die den top
T van den gnomon, het middelpunt M en het einde van de schaduw
S vormt, geeft in den scherpen hoek S de hoogte van de Zon boven
den horizon aan, en deze scherpe hoek kan gemakkelijk uit de
hoogte h van de staaf en de lengte s van de schaduw berekend wor-
den, want men heeft, als de hoogte van de Zon H genoemd wordt:
tang.H = ^ ■
De rigting van dc schaduw kan tevens dienen om , als de middag-
lijn getrokken is, het azimuth vci de Zon te bepalen.
Op oudere sterrewachten vond men de gnomons naauwkeuriger
ingerigt. In het dak van een gebouw was in eene metaalplaat eene
kleine opening naar den kant van de Zon gekeerd, cn door deze
opening werd een klein zonnebeeld op den horizontalen vloer ge-
worpen. Uit de opening hing een schietlood neer, en uit hetpunt,
waar de loodlijn den grond raakte, waren als uit het middelpunt
de cirkelbogen beschreven. Het zonnebeeldje was in de cirkelbogen
naauwkeuriger waar te nemen dan het einde van de schaduw van
eene stijl, dat altijd min of meer onduidelijk is.
Men heeft echter thans werktuigen, die meer geschikt zijn om
naauwkeurig de hoogte van een hemelligchaam te meten. Met zoo-
danig een werktuig neemt men de hoogte van een hemelligchaam ,
liefst van eene vaste ster, waar, terwijl zij aan de oostzijde van den
meridiaan is, en teekent in een horizontaal vlak de rigting aan,
waarin zij gezien wordt. Nu zoekt men na de culminatie de rigting,
in welke die ster dezelfde hoogte zal hebben, geeft die rigting
mede op een horizontaal-vlak aan, en deelt den hoek op dat hori-
zontale vlak, door die twee rigtingen aangegeven, midden door, dan
zal men den meridiaan bepaald hebben. — Tot de bepaling van den
meridiaan op die wijze laat zich de theodolit zeer gepast gebruiken.
Van dit werktuig, dat dient om horizontale en verticale hoeken te
meten, laten wij echter, om niet te omslagtig te zijn, de beschrij-
ving achterwege.
Heeft men eenmaal den meridiaan bepaald, dan kan men het azi-