Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-84
met het hemelgewelf voor deu middag vau dien dag. Siel den uur-
wijzer op 12. Bevestig deu algemeenen verticaalcirkel in het top-
punt. Draai de globe om de as, naar de genomene waarneming,
oost- of westwaarts. Beweeg nu deu bol om zijne as en den verti-
caalcirkel om het toppunt tot dat de ster de gevondene hoogte
heeft, dan zal de uurwijzer het uur van den dag aanwijzen.
Veaagstuk XXXVII. Zoek de plaais op de hemelglobe, waar de
pool van den zonsweg en het lenteteeken zich bevonden hebben
voor 2300 jaren. ,
Oplossing. Naar (41) beschrijft de pool des hemels om de pool
van de ekliptika van het Oosten naar het Westen op eenen afstand
vau ongeveer 23°28' eenen cirkel in den tijd van ongeveer 26000
jaren. Het lenteteeken zal dan ook in dien tijd dtn geheelen aequa-
tor doorloopen. Iu 2300 jaren zal die verplaatsing dan 2300 X
360:26000 = 32° ongeveer bedragen. De pool des hemels zal dus,
als men op den bol uit de pool van de ekliptika, met den afstand
tot de pool des hemels als straal, eenen cirkel beschrijft, ongeveer
een twaalfde vau den omtrek van dien cirkel oostelijker moeten
gelegen zijn. Onze tegenwoordige poolster, die thans ongeveer
graad westelijk van de pool ligt, lag toen omstreeks 32° daarvan
in dien cirkel verwijderd. Het lentepunt lag destijds dus ook on-
geveer 32° oostelijker, zoodat het in het sterrebeeld van den Ram
viel. Stelt men de globe zoodanig, dat de toenmalige pool des
hemels in het toppunt komt, dan zal de algemeene horizon voor
dien tijd den aequator aanwijzen, en het lenteteeken ligt aan de
westzijde van den bol in den aequator in het beeld van den Ram.
De ekliptika en al de sterren hebben hare plaatsen aan het hemel-
gewelf behouden, maar de aequator heeft zijnen stand veranderd.
De teekens Y, tl, 23 enz. komen dan voor in de beelden van
den Ram, dsn Stier, de Tweelingen, de Kreeft, den Leeuw, de
Maagd, de Weegschaal, de Schorpioen, den Schutter, den Steenbok,
de Waterman en de Visschen. — In dien tijd zijn dus ongetwijfeld
de namen van de teekens van de ekliptika van de toen overeen-
komstige sterrebeelden ontleend, want deze teekens zijn sterrekun-
dige figuren, welke voor die namen gebezigd worden. — Bevindt
zich dus de Zon thans bijv. iu het teeken V (de Ram), dan is zij
in het beeld van de Visschen; bevindt zij zich in het teeken D (de
Tweelingen), dan is zij in het beeld van den Stier. — Ieder teeken