Boekgegevens
Titel: Beschouwingen over het Athenaeum illustre en het onderwijs in Amsterdam
Auteur: Pinner, Julius
Uitgave: Amsterdam: M. Schooneveld & Zoon, 1861
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 39-9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203625
Onderwerp: Onderwijs: tertiair onderwijs
Trefwoord: Universiteiten, Athenaeum Illustre, Amsterdam (stad)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beschouwingen over het Athenaeum illustre en het onderwijs in Amsterdam
Vorige scan Volgende scanScanned page
tering wordt de toestand dezer inrigting onlioudbaar. In dit
opzigt is het pleit beslist, er is res judieata. Het nieuwe voor-
stel tot emancipatie der Hoogleeraren van het heffen der colle-
giegelden cn tot verhooging van hun tractement is, op zich
zelf, een maatregel even rationeel als billijk en overeenkomstig
de waardigheid van het hoogleeraarsambt. Welligt zullen er
zijn, die in het heffen der collegiegelden door den Professor nog
steeds //een prikkel" zien en vreezen, dat de witte vakken
van het compendium voortaan deze kleur der onschuld zul-
len blijven dragen, maar hun kunnen wij slechts antwoor-
den, dat het //betalen van den Professor door den student"
het geleerde lazzeronisme niet geneest en dat Curatoren man-
nen moeten kiezen, die de wetenschap beoefenen ook uit liefde
voor de wetenschap. Ook moet een student, die betaalt
en de keus heeft naar Leiden of Utrecht te gaan, door
den Professor worden ontzien. D,aarenboven behoort het in-
komen van een Hooglecraar niet onzeker te zijn; hij moet,
gerust over het lot van zijn gezin, zich aan de onophou-
delijke beoefening der wetenschappen kunnen -Säjden.
Wij moeten echter het voorstel tot vermeerdering van
het personeel der Hoogleeraren bestrijden, alleen omdat het
ons voorkomt, dat men zoo doende langs een omweg tracht
te verkrijgen hetgeen door den ßaad reeds is afgestemd.
Maar wij behooren tot lien, die niet vreezen in lieux
communs te vervallen door de boven geformuleerde vraag
onthennencl te beantwoorden.
Uit den aard der zaak behoort de regeling van het hoo-
ger onderwijs aan de geheele natie of aan den Staat. AVij
schromen niet te verklaren, dat, naar onze meening, zelfs
de organisatie en de bekostiging van het geheele onderwijs,
ook van het lager en middelbare (onverschillig of deze vcr-
deeling van het onderwijs al dan niet juist is), tot de regten