Boekgegevens
Titel: Beschouwingen over het Athenaeum illustre en het onderwijs in Amsterdam
Auteur: Pinner, Julius
Uitgave: Amsterdam: M. Schooneveld & Zoon, 1861
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 39-9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203625
Onderwerp: Onderwijs: tertiair onderwijs
Trefwoord: Universiteiten, Athenaeum Illustre, Amsterdam (stad)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beschouwingen over het Athenaeum illustre en het onderwijs in Amsterdam
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
(Irag der sclioolgelden") niet kunnen betalen, uit die scholen
weert, maar het is onstaatkundig (wij spreken niet van
philanthropie, ook hebben wij ons in dit geheele betoog
niet op dit standpunt geplaatst en willen niet beter schijnen
dan wij zijn) en in strijd met de stoffelijke en zedelijke
belangen der stad, zoodanig verdict over de onvermógenden
uit te spreken. In een land als Nederland mag de meerdere
of mindere graad van intellectuele ontwikkeling geene geld-
kwestie meer zijn.
Dat burgerkinderen zonder middelen de zoogenaamde
burgerscholen niet kunnen bezoeken, is geene ramp, omdat
wij van deze polyglotte burgerscholen niets verwachten, ter-
wijl wij genoegzaam vertrouwen stellen in uwe zorg,
dat de vakken a tot i der wet van 1857 op de tusschcn-
scholcn even goed zullen worden onderwezen als op de
burgerscholen. De leerlingen op de tusschenscholen, die
ontheven zullen zijn van den ballast der levende talen, zul-
len zooveel te meer gelegenheid hebben, de moedertaal cn
de overige vakken grondiger aan te leeren en zoo doende
tot meer ontwikkeling te komen.
liet is vooral ten opzigte der stedelijke bevolking te be-
treuren, dat het geheele onderwijs, met uitzondering van het
academische, niet in ééns gereorganiseerd is geworden. Men
zoude aan de volkrijke gemeenten, gelijk Amsterdam, be-
langrijke uitgaven bespaard en, met geringe kosten meer, ook
liet middelbare onderwijs gelijktijdig ingerigt hebben.
De verordening bepaalt het getal lagere scholen op 7
tusschenscholen en 36 burgerscholen. Dit getal is veel te
groot cn moet aanleiding geven tot eene versnippering van
en gebrek aan leerkrachten. Men had kunnen volstaan met
de oprigting van 7 tusschen- en 12 burgerscholen, mits men
in elke school twee klassen voor het lager onderwijs had
ingerigt, hetgeen noodzakelijk is, zal de bevolking eenig nut