Boekgegevens
Titel: Beschouwingen over het Athenaeum illustre en het onderwijs in Amsterdam
Auteur: Pinner, Julius
Uitgave: Amsterdam: M. Schooneveld & Zoon, 1861
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 39-9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203625
Onderwerp: Onderwijs: tertiair onderwijs
Trefwoord: Universiteiten, Athenaeum Illustre, Amsterdam (stad)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beschouwingen over het Athenaeum illustre en het onderwijs in Amsterdam
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
teil eeneiimale de gelegenheid, zijne kindereu meer dan het
lager onderwijs te doen genieten. Wij hebben geene open-
bare scholen, waar de mingegoede ( — men schrikke
niet, wij hebben de arme klasse, het proletariaat voorals-
nog niet in het oog, zooveel stoutmoedigheid bezitten wij
niet —) voor weinig geld en des noods gratis tot zijn 16de,
17de of 18de jaar een onderwijs kan genieten, hetwelk hem
beschaaft, volledig ontwikkelt en geschikt maakt om in de
meeste vakken, waartoe niet speciale kennis behoort, uit
te munten. Er is nog meer, de bevolking, waarop wij
liier doelen, gevoelt niet eens de behoefte aan eene meer-
dere vorming harer kinderen. Zij heeft het besef niet,
dat er buiten geld nog andere middelen bestaan om zich on-
afhankelijk te maken en tot eene goede of hoogere positie
in de maatschappij te komen. Deze wanhopige nederigheid
is de kortste en voornaamste weg tot het proletariaat,
liet is dus een heilige pligt der hoogere klassen cn vooral
van hen, die onze gemeente vertegenwoordigen en besturen,
om aan dien staat vau zaken een einde te maken. Hunne
pogingen zullen direct en indirect op de vermindering van
het thans zoo talrijke proletariaat werken. Wij achten ons
niet geroepen hen te wederleggen, die op politieke of
andere gronden het stelsel van kasten zijn toegedaan;
die wijzen op de bewonderenswaardige inrigtingen van wel-
dadigheid, een sieraad van Amsterdam cji zijne ingeze-
tenen, en die meenen, dat men het lot der armen moet
lenigen en dragelijk maken, zonder jiogingen in het
werk te stellen het proletariaat te vernietigen. of althans
zooveel doenlijk te voorkomen; dat de zoon van den ar-
beider ook arbeider moet zijn; dat het aan de kleine ne-
ringdoenden niet betaamt kooplieden en handelaren te wor-
den , en dat de oude geslachten moeten worden geconser-
2*