Boekgegevens
Titel: Beschouwingen over het Athenaeum illustre en het onderwijs in Amsterdam
Auteur: Pinner, Julius
Uitgave: Amsterdam: M. Schooneveld & Zoon, 1861
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 39-9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203625
Onderwerp: Onderwijs: tertiair onderwijs
Trefwoord: Universiteiten, Athenaeum Illustre, Amsterdam (stad)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beschouwingen over het Athenaeum illustre en het onderwijs in Amsterdam
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
huizen, musea, laboiatoricn, observatoriën, botanische tui-
nen en andere inrigtingen, die ter bevordering van de na-
tuurkundige (daaronder begrepen de geneeskundige) studiën
noodzakelijk zijn en door gemeente noch door enkele bur-
gers kunnen worden bekostigd. Het hooger of eigenlijk
liet hoogste onderwijs zal alsdan ophouden te zijn hetgeen
het tlians is, ter dienste van vakstudiën alléén.
Het lager onderwijs zal nooit meer zijn dan hetgeen liet
uit den aard der zaak is. Hoe noodzakelijk cn onmisbaar
ook, indien het niet dient tot de grondslagen van en den
sleutel tot een hooger onderwijs, draagt het niets of weinig
bij tot de beschaving eener natie, üe individu, die het
elementaire onderwijs alléén genoten heeft, zal eenige jaren
na het verlaten der school niets meer van dat onderwijs
overgehouden hebben dan de hunst van te lezen, schrij-
ven en machinaal van de vijf species gebruik te ma-
ken. In werkelijke kunde, in verstandsontwikkeling cn
verlichting zal hij niet hooger staan, dan zij die lezen
noch schrijven kunnen. Wij doen vooral een beroep op
die leden der regterlijke magt, welke dikwijls in de ge-
legenheid zijn, getuigen (die meestal niet tot de bescliaafde
klassen behooren) te ondervragen en te hooren. Zij zullen
het met ons eens zijn, dat er ten opzigte hunner intelli-
gentie geen verschil bestaat tusschen hen, die het proces-
verbaal kunnen teekenen en hen, die dit niet kunnen. On-
zes inziens heeft onze wetgever op het lager onderwijs
daarin gezondigd, dat hij zicli de taak niet gemakkelijker
heeft gemaakt, door het middelbaar of hooger (of acade-
misch) onderwijs niet gelijktijdig tc regelen cn in verband
tc brengen met het lagere en door nog een meer uilgcbrcul
lager onderwijs toe te laten. Rekenen belioort tot het lager
ouderwijs; de uiterste grens daarvan is het rekenen met