Boekgegevens
Titel: Beschouwingen over het Athenaeum illustre en het onderwijs in Amsterdam
Auteur: Pinner, Julius
Uitgave: Amsterdam: M. Schooneveld & Zoon, 1861
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 39-9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203625
Onderwerp: Onderwijs: tertiair onderwijs
Trefwoord: Universiteiten, Athenaeum Illustre, Amsterdam (stad)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beschouwingen over het Athenaeum illustre en het onderwijs in Amsterdam
Vorige scan Volgende scanScanned page
millioen zielen, heeft er slechts zes; Hannover, met eene
bevolking van nog geene twee millioen, slechts ééne; Groot-
Brittannië heeft weinige inrigtingen voor hooger onderwijs
en het aantal regtskundige en geneeskundige scholen in
Frankrijk is zeer gering in verhouding tot de groote be-
volking. Het ontbreekt ons dus niet aan academiën voor
de jongelieden onzer gemeente; Utrecht is op één uur en
Leiden op liuur spoorweg-afstands van Amsterdam gelegen.
Maar, antwoordt men ons, 'slands hoogescholen zijn ten
achteren gebleven en dus gebrekkig; zij voldoen niet meer
aan de eischen des tijds; wij willen dus binnen Amsterdam
voorzien in de behoefte aan eene Hoogesch ooi naar de eischen
des tijds. Wij willen volstrekt niet als kampvechters onzer
drie academiën optreden, en scharen ons zelfs in den rij der be-
strijders van de bestaande wettelijke verordeningen op het hoo-
ger onderwijs; — maar is dit een grond, dat Amsterdam lands
zaken doe? Wie geeft aan deze stad die bevoegdheid en wie legt
haar de verpligting daartoe op? Nergens meer dan te Am-
sterdam heerscht de ongrondwettige zucht tot particularisme en
stedelijke hegemonie; men beschouwt onze grondwettige in-
stellingen, die aan alle deelen des lands dezelfde regten
geven, als knellende banden en men streeft gedurig, buiten de
Grondwet om, naar de bereiking van het doel. Amsterdam, verte-
genwoordigende ruim het 12de gedeelte der geheele natie, is in
zijn regt, om in alle vraagstukken van belang zijnen overwe-
genden invloed te doen gelden; — maar op welke wijze mag
dit geschieden? Door grondwettige middelen, door petitiën
aan de wetgevende magt, door zijne vertegenwoordigers in
de Kamers, door in overleg te treden met de overige dee-
len des lands en door zich aan het hoofd te stellen van
hetgeen men in Engeland noemt een nmovementT Zoo
doende zal Amsterdam, wanneer het eene goede zaak voor-