Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
mp
Ih
Toepassingen.
Uit de versnellende bevreging, voortgebragt door eene bestendig wcikende
kracht, is te verklaren :
Waarom het goed is, om bij het doen van zware slagen den hamer of de bijl
hoog op te ligten.
Waarom de vogels, wanneer zij met den bek eenig hard voorwerp wÜlen
vermorselen of hunne vijanden bevechten, den hals eerst sterk achterwaarts
trekken.
Waarom ook ossen, bokken, enz. eerst eenigermate zich verwijderen en den
kop intrekken, alvorens den stoot te doen.
Waarom luchtsteenen lot zulk eeue aanmerkelijke diepte bij hunnen val in
den grond dringen
Waarom sommige zeevogels hun doel bereiken, wanneer zij, doorhun instinkt
gedreven, de schelpen van oesters of mosselen, die zij willen breken, met zich
in de hoogte nemen, en ze van daar op gladde steenen laten vallen.
Uit hetgeen aangaande de vertragende beweging is aangevoerd, verklaart
men:
Waarom een loodregt in de hoogte springende waterstraal in breedte toe-
neemt, naar gelang de straal hooger komt.
ACHTTIENDE LES.
De kromlijnige be^Yeging der ligchamen. De beweging \an
\oortgeworpene ligchamen. Middelpnnlsbeweging.
Tot hiertoe is er alleen over de regtlijnige beweging gesproken, thans zal
men tot de kromlijnige overgaan. Wat men door deze te verstaan hebbe, is in
de 14^® les uiteengezet. Gij kunt u al aanstonds zulk eene beweging aanschouwe-
lijk maken. —
Werpt een' bal over de tafel, waardoor hij van deze op den grond valt. —
Het is duidelijk zigtbaar, dat hij boogsgewijze, volgens het beloop eener kromme
lijn, den grond nadert? Ziedaar dus een voorbeeld van kromlijnige beweging.
Bie boog of die kromme lijn kan, volgens het vroeger beredeneerde, niet ont-
staan dan door de werking van verschillende krachten. En inderdaad er wer-
keti twee krachten op den bal: vooreerst die, welke de hand voortbragt, en ten
andere de zwaartekracht.
Dat wij nader onderzoeken, hoe de kromme hjn der voortgeworpene ligcha-
men ontstaat! —
Stelt eens, dat de eenparige beweging, die den bal a (fig. 24) gedurende een
zeker tijddeel door de hand is medegedeeld, uitgedrukt wordt door de lijn ab,
dan zal het ligchaam, ingeval de zwaartekracht buiten werking blijft, in het