Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
70
chaam in de seconde 5 maal zoo veel wegs als in de eerste, èn in alle drie se-
conden 5 -1-3 -4- 1, dat is 9 maal zooveel. Op het einde der 3^^ seconde is
de snelheid 3 maal zoo groot geworden, als op het einde der eerste ; waardoor
het ligchaam in de 4^« seconde 3X2 = 6 maal zooveel wegs zou afleggen,
als in de hierbij komt weder 1 voor de versnelling, die er op nieuw de zwaar-
tekracht aan geeft, en het ligchaam doorloopt derhalve? maal zooveel, en in alle
4 seconden 7 -4- 5 -f- 3 1, dat is 16 maal zooveel wegs, als in de 1®^® se-
conde, enz.
Dewijl het van veel belang is deze wet goed in te zien, zoo laat ons haar nog
eens van eene andere zijde opsporen.
In het begin van den val was de snelheid O, en op het einde der seconde
9,8 el; de gemiddelde snelheid in de seconde was dus 4>9 el per seconde,
en het ligchaam valt derhalve in de Igte seconde door eene ruimte van 1 X 4>9 el.
Op het einde der 2de seconde was de snelheid 2 X el en bij het begin van
2 y Q 8
den val O, derhalve is de gemiddelde snelheid in die beide seconden-^ '' .
of 2 X 4)^ el, en in de beide seconden bedraagt dan de valruimte des lig-
chaams 2 X 2 X X 4»^ el. Na het einde der 3de seconde was de
-verkregene snelheid 3 X el, in het begin weder 0; de gemiddelde snelheid
3X98
in de 3 eerste seconden was dus -^ of 3 X 4»^ el, dat is in alle drie se-
conden 3X 3 X 4,9 = 9 X 4,9 el enz.
Hieruit ontdekken wij :
a, dat de weg, die de vallende ligchamen in de P^®, 2*^®, 3^®, 4*^® ens. seconde
doorloopen, wordt uitgedrukt door 1, 3, 5, 7, 9 enz maal 4,9, dat is, door het
product der achtereenvolgende onevene getallen en het getal 4,9.
b. dat de hoogte, van welke zij in 1, 2, 3, 4> seconden vallen, be-
draagt: 1, 4, 9, 16, enz. maal!\, 9 el, dat is, het product van het vierkant der tijden
met het getal 4,9. Nemen wij nu nog eens alles zamen, dan komt het hierop neder:
1. De eindsnelheden nemen toe even als de voltijden, of, de eindsnelheden zijn
evenredig aan de voltijden.
2 De doorgeloopene wegen nemen toe, als de vierkanten der tijden; en in ver-
band met het ook als de vierkanten der snelheden; of de doorloopene wegen zijn
evenredig aan de vierkanten der verloopene tijden, ai ook aan de uierkanten der eind-
snelheden.
3. Indien een vallend ligchaam na verloop van zekeren tijd ontdaan wordt van
de aantrekking der aarde, en alsdan met diezelfde snelheid, welke het door dien val
verkregen heeft, voortloopt, altijd bevrijd van de aantrekkingskracht der aarde, zoo
zal het in denzelfden tijd eenen weg afleggen, tweemaal zoo groot als de reeds afge-
vallene weg.
Indien men dus wil weten, welke snelheid een ligchaam, bij voorbeeld na 6
seconden vallens, zal verkrijgen, moet men 9,8 el slechts met 6 vermenig^uldi-