Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
zooveel te meer iu liet oog, oiudat het water meer tegenstand biedt dan de
lucht.
Dat alle ligchamen even snel vallen, wanneer zij niet door de lucht worden
weêrhouden, kan men proefondervindelijk aantoonen. Daartoe maakt men, met
een later te beschrijven werktuig, eene glazen buis van 1 a 2 el lengte luchtle-
dig, na vooraf eenige ligchamen van verschillende stof, bijvoorbeeld een stukje
papier en een stukje lood er in gebragt te hebben. De lucht sluit men aan de
beide einden der buis door kranen af. Vooronderstelt nu, dat de genoemde lig-
chamen op den bodem der buis liggen. Keert men nu de buis spoedig het on-
dersteboven, zoo ziet men, dat de drie ligchamen op denzelfden oogenblik het
andere einde bereiken, dat zij even snel gevallen zijn. Opent men even het
kraantje, zoo hoort men, onder een zacht geblaas, een weinig lucht in de buis
dringen. Thans het werktuig op nieuw gesloten, en nogmaals omgekeerd zijnde,
ontdekt men reeds eenig verschil in den val tijd der voorwerpen; het papiertje
is een weinig achter. Zoo dit werk eenige malen herhaald en er dus meer lucht
in de buis gebragt wordt, valt het verschil in valtijd nog meer in het oog.
Dat de zwaartekracht alle ligchamen even snel moet bewegen, is duidelijk.
De aarde trekt elk atoom even sterk tot zich; of nu de atomen niet zamenhan-
gend, ieder afzonderlijk worden aangetrokken, of in massa vereenigd, dit zal
'wel hetzelfde zijn. Indien ik toch voor een'zamenhangenden of aaneenverbon-
den' last 50 mannen plaats, ten einde dezen voort te trekken, of dat ik ieder man
in het bijzonder met het 50' gedeelte daarvan belaste, dit zal immers geen ver-
schil maken in deii tijd, waarin zij de vracht een zeker eind wegs verplaatsen,
zoo zij slechts in beide gevallen zich gelijkelijk bewegen.
Dat wij thans onderzoeken, hoedanig het met de snelheid gesteld is, waar
mede de ligchamen naar de aardoppervlakte worden bewogen, en welke betrek-
king er bestaat tusschen den weg, dien een ligchaam doorloopt, enden tijd, dien
het tot dezen loop besteedt. Wij nemen bij dit onderzoek de tegenstandbieding
der lucht niet in aanmerking.
De zwaartekracht is eene bestendig werkende kracht, die onophoudelijk haren
invloed op het vallende ligchaam uitoefent, en derhalve eene gelijkmatig versnel-
lende beweging voortbrengt. Springt men van eene bank, men gevoelt hiervan
niets onaangenaams; van eene hooge tafel, zoo ontwaart men eenen hinderlijken
schok; terwijl de sprong uit een hoog venster doodelijk zou kunnen zijn. Dit
verschil ontstaat alleen door de vermeerdering van snelheid, welke het ligchaam
van oogenblik tot oogenblik verkrijgt; want in de massa kan dit niet gelegen
zijn: deze was in elk geval dezelfde. De genoemde versnelling laat zich gemakke-
lijk verklaren; immers op den oogenblik, waarin het ligchaam begint te vallen,
heeft het door de zwaartekracht eene zekere snelheid verkregen, stelt eene snel-
heid, die het 1 el in een zeer klein tijddeel doet afleggen. Met deze snelheid zou
het in het tweede even groote tijddeel ook voortgaan; doch nu komt er eene
nieuwe kracht bij, waardoor de snelheid op het einde van dit tijddeel dubbel zoo