Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
788
wauiieer de kruk op de aangewezene wijze wordt rondgedraaid, deze eveneens
verlaten. De veêren 2 en 4 komen dan met de ringen u en w in gemeenschap,
en blijven dat, tot de as eene halve omwenteling volbragt heeft, of B boven
de zuidpool Z is gekomen. Dan echter komen 1 en 3 op nieuw met de rin-
gen n en v in geleidend verband, terwijl 2 en 4 ontslagen worden van de aan-
raking met u en w.
Wanneer nu B de noordpool N nadert en, van den lezer af, zich verwij-
dert, zoo moet, volgens het vroeger behandelde (zie fig. 505), een stroom ont-
staan, die van x naar y, en dus van p naar de middelste buis m (zie fig. 507),
den stalen ring v, de veér 3 en de schroef G loopt, van daar door den sluit-
draad naar F gaat, en door de veêr 1 over den stalen ring n, en langs den
draad q in zich zelven terugkeert. Verwijdert zich echter B in de aange-
gevene rigting van de noordpool B, zoo ontstaat er een stroom van y naar
deze loopt over naar de binnenste buis rr (zie fig 507), van deze door den
stalen ring iv naar de veér 4» en daar 3 nu buiten aanraking met m m is,
door middel van die veêr 4 naar G, alzoo weder door den sluitdraad naar
Fy en door 2 en u naar p en in zich zelven terug. De opgewekte stroomen
blijven dus in dezelfde rigting door den sluitdraad G F loopen, en bereiken
hunne grootste sterkte, wanneer de door het midden van E en B gaande
lijn loodregt op de lijn staat, die van Z naar iV is getrokken. Indien er
snel wordt gedraaid, volgen de slagen, die men door middel van den draad
FG door het menschelyk ligchaam kan laten gaan, zoo spoedig op elkander,
dat men hunne werking naauwelijks kan uithouden. Wil mende hevigheid van
die slagen verzwakken, men behoeft dan slechts langzaam te draaijen, of de
beide polen Z en N des magneets door een anker van week ijzer te verbinden.
Om krachtige slagen te verwekken, moet meu met eenen dunnen draad een
groot aantal windingen om de beide week-ijzeren kernen E en B leggen. ïn
dat geval windt men den draad op een' houten cilinder, en schuift dien op de
ijzeren kernen. Ten einde korte, dunne draden gloeijend te maken, steekt men
de einden m en n van twee tangvormig gebogene koperdraden (zie fig. 509)
Fig. 500.
in de schroeven F en G. De draden m eu n zyn daar,
waar zij om elkander gedraaid zijn, geïsoleerd, en de
draad, welke gloeijend moet gemaakt worden, is tus-
schen de einden a en b gespannen.
Wordt de geheele rotatie-toestel door glazen dragers
geïsoleerd, en is ook de kruk bij A zelve van glas, dan
kan men, door den knop van de leidsche flesch met
de eene schroef G, en het buiten bekleedsel der flesch
met de andere, die dan geleidend met de aarde in ge-
meenschap staat, te verbinden, de leidsche flesch met
electriciteit laden.
Wij kunnen niet nalaten van de veel eenvoudigere