Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.801
nevendraads een' tweeden stroom opwekt; dat al die nevenstroomen dezelfde
rigting hehben, en zoo door de som hunner werkingen een' grooten invloed
op de magneetnaald des galvanometers of op het menschelijk ligchaam uit-
oefenen. Wij zullen zoo aanstonds zien, dat een magneet als een stelsel van
evenwijdige stroomen werkt. De inductie-stroom, die in een' spiraal ontstaat,
welke alleen uit windingen van den sluitdraad is zamengesteld^ zoo als in fig.
r>02 is vermeld, noemt Faraday, die dezen stroom ontdekte, exlmstronm. Hij
verklaart zijn ontstaan op de volgende wijze. De electrische stroom, die eene
spiraal doorloopt, wekt, zooals bekend is, in eenen nabij zijnden geleider,
die met den spiraal evenwijdig loopt, bij het sluiten van den draad een' tegen-
gestelden, bij het openen eenen gelijk gerigten inductie stroom 0[); ontbreekt
echter deze nevendraad, zoo wekt de hoofdstroom in zijn' eigen gelei-
dingsdraad, dewijl de eene winding inducerend op de andere werkt,
een' inductie stroom op, en wel bij het sluiten eenen aan den hoofd-
stroom tegenovergestelden, en bij het openen een' gelijkgerigten stroom.
Hieruit blijkt derhalve, dat de door het sluiten opgewekte stroom geene
aanzienlijke werking kan voortbrengen, daar hij aan den hoofdstroom te-
genovergesteld is; de schokken, van welke vroeger gewag gemaakt is, zijn dus
hunnen oorsprong aan de bij het openen des sluitdraads geinduceerde stroo-
men verschuldigd, die met den hoofdstroom in gelijke rigting plaats grijpen.
Het bestaan der extrastroomen hebben Dove en Edlund onbetwistbaar be-
wezen.
Wij willen thans de derde der genoemde wetten bewijzen (zie bladz. 775).
Laat de opening van den met geïsoleerd koperdraad omwoelden klos zoo
groot zijn, dat men er een' magneet a 6 in kan steken (zie fig 503) en laten de
beide einden m en n van den draad met die van
den draad des galvanometers in verbinding ge-
bragt worden, welke laatste zich zoo ver af be-
vindt, dat de magneet op de naald van den mul-
tiplicator geen'invloed kan uitoefenen. Men voere
nu den magneet in den cilinder, en oogenblik-
kelijk ziet men de naald van deu galvanometer
afwijken; weldra echter houdt die afwijking we-
der op; de naald keert op het nulpunt terug,
maar wijkt op nieuw af, en wel in de tegenge-
stelde rigting van de eerste maal, zoodra men den
magneet uit den cilinder verwijdert. Indien men
zich verbeeldt, dat in a de noordpool des magneets lig!, dan loopen de stroo-
men, volgens het gevoelen van Ampère, om den magneet in de rigting van
het pijlje: dit is bekend; en werkelijk vindt men, bij het inschuiven van de
zuidpool h des magneets in de gezegde opening, dat de geïniluceerde stroom
in den draad eene tegenovergestelde rigting heeft. Bij het verwijderen van den
Fig. 503.