Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
De bal, door de kracht o alleen voortgedreven wordende, zal in een zeer klein
tijddeel tot in e gevorderd zijn; maar de kracht z alleen zou hem in denzelfden
tyd tot in ƒ gestuwd hebben. Om nu aau beide krachten te voldoen, zou men
het ligchaam eerst in e en van daar tot in g hebben kunnen brengen. Zoo is
evenwel de beweging niet geschied en zóó kan zij ook uiet geschieden: geen van
beide de krachten waren een' oogenblik werkeloos: de bal bleef altijd de inge-
drukte krachten behouden; en hoe kon hij nu toch anders aan deze beide gehoor
geven, dan door den weg a g te volgen ? Aldus is het in elk opvolgend oogen-
blik gesteld, en derhalve zal, wanneer de krachten in 6 en c uitgewerkt hebben,
het ligchaam tot in d gevoi'derd zijn. Dat ik u nog eeii paar voorheelden geve ! —
Veronderstelt eens, dat gij van a naar 6 wilt gaan (zie dezelfde figuur), doch dat
er iemand is, die u aan de linkerzijde bestendig naar de lijn c d duwt, dan zult
gij immers ontwijfelbaar ergens in een punt d aankomen. Indien het ligchaam
a een schip in het midden eener rivier voorstelt, dat door den stroom in zekeren
tijd tot in l) kan verplaatst worden, maar hetwelk de wind, geheel alleen wer-
kende, in gelijken tijd in de rigting a c tot ine naar den wal c d drijft, zal
het vaartuig dan uiet na verloop van dien tijd in het punt d tegen den wal
stooten, en zich langs de lijn a c/bewogen hebben? — Eu hoe zijn wij nu tot
de rigting en grootte der zamengestelde kracht geraakt ? Op deze wijze : men
trekke de lijnen a b en a c iu de rigting van iedere kracht, en ^eve deze eene
lengte, overeenkomstig het vermogen, dat die krachten uitoefenen, of vaii het
eind wegs, dat zij in een zeker tijddeel, bij voorbeeld in eene minuut, het
ligchaam doen afleggen; vervolgeus trekke men door het punt b de hjn b d
evenwydig aan a c, en door c eene lijn c d evenwijdig aau ai», dan ontstaat
hierdoor eene figuur, die in de meetkunde den naam van parallelogram draagt,
en in ons geval het parallelogram der krachten heet; eindelijk trekke men de
diagonaal of hoekpuntslyn a d, en deze zal de resultante of zamengestelde kracht
der vorige zijn.
De vlakte, begrepen tusschen de twee rigtingslijnen ab en a c der zamen-
stelleude krachten, noemt men den hoek, waaronder deze werken; die hoek was
in het gegevene geval regt, dat is, de krachten werkten loodregt op elkander;
doch hoe groot ook die hoek zijn moge, en of de krachten gelijk ziju of niet,
de zamenstelling van het parallelogram zal altijd op dezelfde wijze plaats hebben.
Zijn de beide krachten a b en a c gelijk, dan zal de zamengestelde den
hoek, dien zij met elkander maken, altijd middendoor deelen; dat iSj zij zal
juist in het midden tusschai de beide krachten gelegen zijn (zie fig. 14j 15 en
16). Van daar dat een vogel en een visch zich regt
^ ^ voorwaarts bewegen, indien de eerste de vleugels, de
^ 7\ laatste de zwemvinnen gelijkelijk beweegt, en met
deze evenveel kracht aanwendt. Van daar dat een
roeijer, door middel van twee riemen, ziju schuitje
kan voortstuwen in eene rigting. welke hij er aan